donderdag 28 oktober 2010

Privacy

Recentelijk zond de VPRO een documentaire uit over privacy. Ik weet niet of het doelbewuste manipulatie is, of gewoon kortzichtigheid, maar de focus lag weer op het verkeerde probleem.

Het begrip privacy wordt steeds aangeduid als een ethische kwestie (en een enkel geval van persoonsverwisseling, maar dat wordt gezien als een systeemfout, of een ongelukje).

Die ethische kwestie speelt natuurlijk ook wel, maar dat is niet het belangrijkste probleem. Het werkelijke probleem is van praktische aard. En daarom is het woord ‘privacy’ ook verkeerd als het over deze problematiek gaat.

De ethische benadering levert twee stromingen op: ‘ik heb niks te verbergen’ en ‘privé is privé en daar heeft niemand iets mee te maken’. Beide een ethisch standpunt, en daar stopt het. Een kwestie van smaak dus. En eigenlijk zit de eerste van die stromingen er het dichtste bij. ‘Ik heb niks te verbergen’ zegt: ‘ik kan me vinden in de huidige regelgeving, en ik heb niet de behoefte die regels te overtreden’.

Maar het is geen ethisch probleem. Het is een praktisch probleem. Een beter woord zou zijn: Controle. Dat dekt de lading beter. Controle als in ‘in het oog houden’ en controle als in ‘onder controle houden’.

Er wordt wereldwijd met man en macht gewerkt aan een controlesysteem dat het mogelijk maakt om iedereen 24 uur per dag onder toezicht te houden. En als het klaar is, geeft dat overheden de mogelijkheid om regels in te voeren die zonder dat controlesysteem niet opgevolgd zouden worden, simpelweg omdat men weet dat ze voor de meeste mensen onacceptabel zullen zijn.

Omdat men weet dat mensen die regels vanuit zichzelf niet zullen opvolgen, zal er dus dwang en controle voor nodig zal zijn. En dan hebben de mensen die zich niet meer in die regelgeving kunnen vinden (en dan dus de behoefte krijgen om die regels wel te overtreden) ineens wel iets te verbergen. Maar dan is het te laat, want dat lukt dan niet meer.

Als een groep herten in een bos leeft dat ze overal in voorziet, is er geen enkele aanleiding voor die herten om dat bos te verlaten. Wanneer je het plan oppakt om die herten te gaan schieten, kun je verwachten dat ze na het eerste schot het bos uit zullen vluchten. Daarom zet je er eerst een hek omheen, voordat je gaat schieten.

De overgrote meerderheid houdt zich nu over het algemeen keurig aan de bestaande regels, en heeft dus niks te verbergen. Dus is NU het moment om een virtueel controlehek te plaatsen. Als dat er eenmaal staat hoef je geen rekening meer te houden met de bereidheden van het volk, en kun je doen wat je wilt. Je hebt dan controle, in elke zin van het woord.

En dan is het ineens geen ethisch probleem meer, maar een praktisch probleem.

Al die enorme inspanningen om een wereldwijde controle-infrastructuur te implementeren, zouden zinloos zijn als toch bijna iedereen zich aan de regels wil houden (zoals nu het geval is). Het feit dat dit desondanks gebeurt, en dat het nu gebeurt (nu bijna iedereen nog tevreden is met de regelgeving) zou de alarmbellen in werking moeten zetten. Het geeft ons namelijk de mogelijkheid om in de toekomst te kijken.

Door het te benoemen als ‘privacy’ en er een ethisch probleem van te maken, voorkom je dat mensen de werkelijke bedoelingen gaan doorzien, en zo kun je in betrekkelijke rust het hek voltooien.

vrijdag 15 oktober 2010

Doelloos



Vaak krijg ik de vraag: “Wat wil je nou eigenlijk bereiken?”

De mensheid is al sinds mensenheugenis gedreven door doelen. Doelen die moeten worden nagestreefd. Doelen die het eigen leven of de wereld ‘beter’ moeten maken. Het hebben en nastreven van die doelen wordt zelfs gezien als een grote deugd.

Zonder doelen komt er niets van de wereld terecht, is de algemeen gangbare opvatting.

Doelen liggen altijd in de toekomst. Ze zijn niets meer dan een idee van hoe die toekomst eruit zou moeten zien. En die doelen zijn altijd gebaseerd op de gedachte dat de toekomst beter moet (en zal) zijn dan het heden. Beter dan het NU. Een volbracht doel zal een verbetering betekenen. Dat is de gedachte achter het nastreven van het doel.

Al duizenden jaren zijn we gedreven door doelen. Door de hang naar beter. Door pogingen de toekomst beheersbaar te maken. Wanneer deze manier van leven echt zou werken, dan zou nu onderhand de perfectie bereikt moeten zijn. Iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

Doelen zijn verstandelijke constructies. Doelen worden geconstrueerd door gebruik te maken van ons vermogen tot redeneren. Ons redeneervermogen is een instrument van onze intelligentie. En onze beschikking over intelligentie is wat ons onderscheidt van andere levensvormen op deze aarde.

Intelligentie is, kort gezegd, het vermogen om problemen op lossen. Een intelligentietest bestaat uit een aantal voorgelegde problemen, en wie die problemen in de kortste tijd en met de minste fouten oplost, is het intelligentst.

Intelligentie is het vermogen problemen op te lossen, en is een typisch menselijke verworvenheid. In die zin zou de mens dus de soort moeten zijn met de minste problemen.

Ook hier geldt: iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

De behoefte om doelen te formuleren komt voort uit ontevredenheid over het heden; in de toekomst moet het beter dan nu. We zijn zelfs in veel gevallen bereid om het heden op te offeren aan het doel: het doel heiligt de middelen. Het is de bereidheid om van het heden een hel te maken, in ruil voor een hemel in de toekomst.

Alleen komt die toekomst nooit. Tenminste: niet in de vorm van het gestelde doel. Want als die toekomst gearriveerd is, dan zijn er weer nieuwe doelen waaraan het nu van die toekomst geofferd moet worden. Zo gaat het al duizenden jaren. En zo blijft het altijd een hel.

Omdat redeneren altijd gebeurt vanuit ons eigen persoonlijke perspectief, construeert iedereen andere doelen. Soms overlappen die doelen elkaar, maar vaak ook niet, en zo ontstaat het idee van een verschil in belang. Een belang dat vervolgens moet opboksen tegen het belang van een ander. Anders wordt het persoonlijke doel nooit bereikt.

Hoe harder we moeten vechten om ons doel te bereiken, hoe meer we bereid zijn het heden op te offeren aan dat heilige doel. En hoe meer ontevreden we logischerwijs zullen zijn over dat heden. En dus hoe meer waarde we gaan hechten aan het doel (verbetering). En hoe harder we moeten vechten etc. De wereld is één groot slagveld geworden van elkaar bevechtende doelen.

Onze focus op onze doelen neemt ons zodanig in beslag, dat we onze beschikbare aandacht voor een groot gedeelte aan de toekomst besteden. Aandacht die daarmee niet beschikbaar is voor het NU.

Boeddha zei: het menselijk lijden wordt veroorzaakt door begeerte. Begeerte zou je kunnen uitleggen als: dingen willen. En dingen willen is alleen nodig als we ontevreden zijn met de dingen die we hebben. Lijden is daarmee de kloof tussen wat we willen en wat IS. Wanneer we tevreden zouden kunnen zijn met wat IS, dan zou het stellen van doelen overbodig zijn. En dan zou lijden dus niet bestaan.

Door onze aandacht te focussen op onze toekomstdoelen, hebben we geen aandacht over voor wat NU IS, en daarom kunnen we er niet tevreden over zijn. En die ontevredenheid rechtvaardigt dan weer het stellen van nieuwe doelen. Het nastreven van doelen levert een onacceptabel NU op, en een onacceptabel NU genereert nieuwe doelstellingen. Zo houdt het mechanisme zichzelf in stand.

Wanneer we wat IS (zowel kwalitatief als kwantitatief) minder zouden opofferen aan de toekomst, dan zou wat NU IS logischerwijs veel aangenamer zijn. En daarmee zou de noodzaak om dingen ‘beter’ te maken in dezelfde mate afnemen.

We hebben onze aandacht gevestigd op morgen, in de veronderstelling dat morgen daarmee beter zal zijn dan vandaag. Maar morgen doen we hetzelfde. Dan hebben we onze aandacht gevestigd op overmorgen. En zo kunnen we, zelfs als ons doel bereikt wordt, nooit van het resultaat van die aandacht genieten. Zo blijven we altijd lijden aan ontevredenheid en blijven we altijd nieuwe doelen construeren.

Doelen die inmiddels als belangrijkste doel hebben de problemen op te lossen die door het nastreven van al die verschillende doelen veroorzaakt zijn.

De wereld is inmiddels zo’n complexe heksenketel geworden van zich onderling bevechtende doelen, dat geen enkel doel meer echt haalbaar lijkt. Ieder doel loopt vast in de complexiteit van tegenstrijdige doelen.

Het mechanisme van de doelgedreven samenleving is daarmee eigenlijk failliet. Je zou het een ‘doelencrisis’ kunnen noemen. En zoals iedere crisis biedt deze crisis naast bedreigingen ook kansen. Het is aan ons om die kansen op te pakken of te laten liggen.

Het is inmiddels zover dat veel mensen de moed opgeven, en de handdoek in de ring gooien. En binnen de bestaande norm die het nastreven van doelen voorschrijft, rest er dan niets anders dan apathie. Binnen die norm.

Maar wie zegt dat die norm, de enig mogelijke norm is? Misschien biedt de crisis waarin de wereld zich bevindt wel een uitgelezen kans om dingen anders te gaan doen.

Wanneer doelen wegvallen (bijvoorbeeld omdat we de zinloosheid ervan inzien), worden we gedwongen om het te doen met wat NU IS. Er blijft niets anders over. Alle aandacht die werd opgeslokt door het nastreven van onze doelen, is nu beschikbaar voor het heden. Als we (al dan niet noodgedwongen) onze aandacht voor de toekomst opgeven, dan blijft er simpelweg niets anders over dan het NU.

Het zal even wennen zijn, maar we kunnen ons doen en laten dan helemaal laten afhangen van wat we OK vinden in het NU, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan wat we goed vinden voor de toekomst. We kunnen ons handelen dan laten afhangen van wat we met dit moment willen. Van wat nu OK is om te doen.

Er is dan geen enkele reden meer om wat dan ook te offeren aan de toekomst. Er is dan ook geen enkele aanleiding meer om slechte dingen te doen in naam van een betere toekomst.

We kunnen dan met alle aandacht zijn bij hetgeen nu echt bestaat. We kunnen ons helemaal richten op het NU en dat volledig en bewust ervaren. Zonder een deel van onze aandacht te verliezen aan de illusie van een betere toekomst (die toch nooit komt). Ook hoeven we onze daden (wat we nu doen) niet meer te laten bepalen door een toekomstig doel.

En als er geen doelen meer zijn, dan zullen er ook geen verschillende doelen meer bestaan. En dan zal er ook geen reden meer bestaan om elkaar te bevechten. En ook dat zal het NU een stuk aangenamer maken.

We zouden alle aandacht en energie die er dan overblijft kunnen besteden aan het doen wat op dit moment goed of gewoon prettig is. Zonder doelen is er namelijk geen andere mogelijkheid dan aan onze wil om dingen goed te doen (wat uiteindelijk ook de drijfveer is achter het hebben van een doel) nu gehoor te geven.

En omdat de toekomst een gevolg is van wat we nu doen, zal een prettig NU, resulteren in een prettige toekomst. En dat is precies omgekeerd aan wat we al eeuwen doen, en wat ook al eeuwen resulteert in nooit bereikte verbeteringen.

Het zal onduidelijk zijn hoe de toekomst er precies uit zal zien. We zullen niet weten wat de vorm ervan zal zijn. Maar die toekomst zal in ieder geval niet meer gecorrumpeerd zijn door het nastreven van doelen. En dan zal die toekomst er dus vanzelf goed uitzien. Zonder dat na te hoeven streven.

En als morgen goed zal zijn, zullen we (zodra morgen NU geworden is) er tevreden over kunnen zijn en hoeven we ons niet meer druk te maken over overmorgen. En dan zou er, ook in de toekomst, geen enkele reden zijn om ons opnieuw door doelen te laten (mis)leiden.

We kunnen ons dan zorgeloos laten leiden door goede intenties in plaats van goede doelen.

Hoe die toekomst er uit zal zien zullen we niet weten. Het zal steeds een verrassing zijn. Maar een prettige verrassing. Dat zal de wereld niet alleen een meer aangename plek maken, maar ook een meer verrassende plek.

Niet als doel, maar als resultaat.