woensdag 22 december 2010

Henk


U woont in een straat. Met de meeste van uw straatgenoten kunt u het goed vinden. Op een dag besluit u met vijf van die straatgenoten gezamenlijk een auto te kopen. U bezit nu allemaal een eigen auto, en het is u opgevallen dat er eigenlijk altijd vier stilstaan. En dat is zonde. U kunt net zo goed met z’n vijven één auto delen en daarmee ook de kosten.

U koopt samen een nieuwe auto. Een gele. De auto kost 15.000 euro, en u betaalt ieder 3000. U maakt samen een gebruiksrooster, en u berekent dat de gebruikskosten van de auto 100 euro per persoon per maand zijn. U geeft het beheer van de financiën in handen van overbuurman Henk. Die is handig met dat soort dingen. Henk heeft een eigen auto, doet verder niet mee, en is dus onpartijdig. Iedereen maakt iedere maand 100 euro over aan Henk, en Henk regelt de verzekering, belasting, tankpas en onderhoud. En houdt een kleine vergoeding in voor de moeite.

U maakt in volle tevredenheid gebruik van de regeling, en u geniet alle vijf van dit uitstekende idee.

Op een dag verkoopt Henk de auto, zonder het eerst aan u te vragen. Aan de firma SuperLease. Henk steekt de opbrengst in zijn eigen zak. U bent boos en stapt met uw vijven naar Henk.

Maar Henk roept: ‘Nee nee! Jullie begrijpen het verkeerd! Ik doe dit voor jullie! SuperLease kan het beheer van de auto véél beter en efficiënter dan ik! Zij hebben te maken met schaalvoordelen, en concurrentie en zo – dat is allemaal heel ingewikkeld – maar vertrouw mij maar: jullie zullen een stuk goedkoper uit zijn!’

En inderdaad, de maandkosten zakken direct naar 80 euro. ‘Die Henk! Die is zo gek nog niet!’ roept u in koor. ‘Handige jongen, met geld. Geen wonder dat hij een Mercedes rijdt’.

Maar na een half jaar krijgt u een brief van SuperLease: Vanwege allerlei omstandigheden zijn wij helaas genoodzaakt om het maandbedrag te verhogen naar 100 euro. U baalt. Maar u bent nog steeds niet duurder uit dan voorheen, dus u zeurt niet.

Een half jaar later krijgt u weer een brief van Superlease: Vanwege nog meer allerlei omstandigheden moet u voortaan de eerste 10 liter benzine van iedere tank zelf betalen. Dit heet ‘eigen risico’. U baalt weer en stapt naar Henk.

Henk zegt: ‘Ik kan er ook niks aan doen. Het komt door de vergeling: er komen steeds meer gele auto’s, en daarom is deze maatregel noodzakelijk, want anders wordt het onbetaalbaar!’

Maar ieder half jaar vallen er brieven van SuperLease op de deurmat, en iedere keer moet u meer betalen, en krijgt u minder. U moet nu al de eerste 20 liter zelf betalen, en uw maandbedrag is inmiddels 200 euro en u mag alleen nog tanken bij stations van StupidOil. U hebt er genoeg van, en u besluit dat u ermee wil stoppen. U gaat samen weer naar Henk.

U zegt: ‘Henk, we stoppen ermee. We nemen het verlies wel, maar dit loopt uit de hand. We gaan het wel weer zelf doen.’
Maar Henk zegt: ‘Tja, uhh, dat kan niet…’.
‘Hoezo niet!?’ roept u.
‘Uhm, we hebben een contract. We moeten verplicht tot in lengte van dagen blijven leasen…’.
‘Wat!? Daar kom je nou mee?!’ zegt u verbaasd.
‘Uhm, ja…. Maar niet getreurd! We mogen zo overstappen naar een andere leasemaatschappij! Ik zal alle voorwaarden van alle leaseaanbieders uitzoeken, en morgen laat ik zien wat de beste deal is’. En Henk duikt achter zijn computer.

De volgende dag komt u bij elkaar, en Henk laat alles zien. Offertes van SuperLease, HyperLease, InterLease, YourLease en OurLease. Dat zijn de keuzemogelijkheden. Henk laat de papieren achter zodat u alle voorwaarden op uw gemak kunt bestuderen, en na een middag gezamenlijk puzzelen, komt u er achter dat u overal (op een paar euro na) even duur uit bent. Bij de één zijn de maandkosten lager, maar het eigen risico hoger, bij de ander andersom en de rest zit er tussenin. En dat verbaast u, want Henk had het toch over concurrentie en zo gehad?

Dus gaat u het nu maar zelf uitzoeken. En al snel komt u tot de conclusie dat SuperLease, HyperLease, InterLease, YourLease en OurLease (evenals StupidOil) allemaal deel uitmaken van ÜberHolding NVBVGmbHLtd. Het dringt tot u door dat u geen kant meer op kunt, en dat u voor altijd precies zult moeten betalen wat ÜberHolding u vraagt. U zit vast.

Boos gaat u weer naar Henk. U treft hem aan terwijl hij zijn spullen aan het pakken is. Henk gaat verhuizen. Hij heeft een nieuwe baan. Bij ÜberHolding NVBVGmbHLtd.

donderdag 16 december 2010

Tijd voor iets nieuws


Hoe beter je kijkt, of eigenlijk moet ik zeggen: hoe beter je je best doet om te kijken, hoe meer je waarneemt dat de wereld om ons heen, en de manier waarop wij die wereld ingericht hebben, gebaseerd is op een groot aantal aannames.

Eén van de aannames die zich het meest manifesteert in de inrichting van de mensheid, is de aanname dat ons bestaansrecht bevochten dient te worden. Dat ons individuele bestaansrecht alleen veilig te stellen is door middel van concurrentie. Dat geldt niet alleen in economische zin, maar voor alle aspecten van het bestaan. Dus niet alleen voor het vergaren van geld en bezit, maar bijvoorbeeld ook voor ideeën en gedachten. Ideeën en gedachten die voor ons alleen waarde lijken te krijgen als anderen het met ons eens zijn. Als we “gelijk” krijgen. Dat is de reden waarom mensen elkaar op internetfora de tent uit vechten. Pas wanneer ons eigen denkbeeld de “winnaar” is (wanneer we “gelijk” krijgen), dan pas kunnen we er blijkbaar zelf op vertrouwen.

Concurrentie is de basis waarop onze samenleving gebouwd is. En concurrentie is goed. Tenminste: dat zeggen de economen. En dat kun je die economen natuurlijk niet kwalijk nemen. Ze herhalen gewoon netjes wat ze op school geleerd hebben, en zelfs de routine van het herhalen zelf, hebben ze op school geleerd. En waarom zouden ze het ook niet zeggen: hun visie is de algemeen geaccepteerde visie, en dus hebben ze “gelijk”. En dat gelijk geeft ze een concurrentievoorsprong op de dommertjes die niet gestudeerd hebben, en dus ook nooit gelijk kunnen hebben.

Dus neemt bijna iedereen aan dat concurrentie onvermijdelijk is, en zelfs goed. De economen hebben immers gelijk, en mochten ze geen gelijk hebben, wie zijn wij dan om te zeggen dat wij wel gelijk hebben? En zo blijft alles lekker veilig bij het oude. Zelfs als dat oude niet meer werkt.

De wereld van nu is dus gebaseerd op concurrentie. Op het idee dat iedereen zijn bestaansrecht moet bevechten. En zoals dat gaat met vechten: om te vechten heb je een tegenstander nodig. Wil je door vechten je bestaansrecht winnen, dan zul je een ander moeten verslaan. Jouw bestaansrecht moet je immers van een ander afnemen. Je kunt alleen meer geld en bezit vergaren door sterker, slimmer, intelligenter, doortrapter of handiger te zijn dan een ander. Want die ander wil ook meer geld en bezit. Als jij niet handiger bent dan hij, dan gaat hij ermee vandoor. Doordat jij anderen bevecht, zullen anderen jou bevechten, waardoor jij harder zult moeten vechten, waardoor zij harder zullen vechten, waardoor jij nog harder zult moeten vechten etc. Een mechanisme dat zichzelf aandrijft.

Het gevolg is dan natuurlijk wel dat, wanneer jij succesvol bent en daarmee meer verworvenheden verkregen hebt, dit ten koste gaat van het welzijn van de ander. Het gaat met jou beter, en dus met de ander slechter. En dat het met die ander slechter gaat is jouw schuld. Daar willen we natuurlijk liever niet aan denken, dus zeggen we: dan had hij maar beter zijn best moeten doen, of slimmer moeten zijn. En zo hebben we geen last van schuldgevoelens. Maar, ook al kennen we de benadeelde meestal niet persoonlijk, het blijft jouw schuld. Schuld waarvan de gevolgen door de verliezer gedragen worden.

Ook in economische zin, als het dus om geld gaat, werkt het concurrentiesysteem zo: de één zijn rijkdom, is de ander zijn schuld. Een systeem dat is gebaseerd op concurrentie resulteert in schuld. In iedere zin van het woord. Bovendien staat in zo’n systeem het belang van het individu voorop. Wat er met anderen gebeurt, en dus met het collectief, is ondergeschikt aan het eigen belang. En we denken dat we geen andere keuze hebben, want anders loopt de concurrent ermee weg.

We nemen aan dat het bestaande systeem het enig mogelijke systeem is. En dat doen we omdat we er waarde aan hechten. We denken dat het systeem ons iets oplevert. Zelfs als het systeem veel meer negatieve aspecten met zich meebrengt dan positieve, dan nog willen we er liever geen afstand van doen. We vrezen dat, wanneer we er afstand van zouden doen, de positieve aspecten (ook al zijn het er nog zo weinig) zullen wegvallen, en alleen de negatieve zullen overblijven. Dus zeggen we tegen onszelf: het is inderdaad niet allemaal koek en ei, maar het kan nou eenmaal niet anders.
Maar wat als we ons nou eens (bij wijze van experiment) een voorstelling zouden maken van een ander systeem. Een systeem dat niet gebaseerd is op de noodzaak het eigen bestaansrecht te bevechten, maar op het idee dat het bestaansrecht te verdienen is? Een bestaansrecht dat door anderen verleend wordt op basis van de waardering die zij hebben voor jouw bijdragen, in plaats van bestaansrecht dat door anderen afgenomen wordt door jou te beconcurreren. Een bestaanrecht dat niet gebaseerd is op concurrentie en vijandschap, maar op bijdrage en waardering.

Ik hoor mensen al roepen: ‘daar heb je hem weer met zijn onrealistische, utopische ideeën! Kom toch eens terug van die wolk, en ga met je poten op de grond staan!’

Het punt is: ik sta met mijn poten op de grond. Het enige dat ik wil doen, is het afschudden van een bestaande overtuiging. Een geloof dat net zoveel op illusies gebaseerd is als welke utopie ook. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit geloof juist is. We hebben immers nog nooit iets anders serieus overwogen, laat staan dat we het uitgeprobeerd hebben. De waarde die we aan het bestaande systeem hechten is gebaseerd op een illusie. Net zoals de waarde die we aan geld hechten, gebaseerd is op een illusie. Een illusie overigens waarvan dankbaar misbruik gemaakt wordt door enkelen.

Dus, als we de moed zouden hebben om die illusie eens even los te laten, wat zouden we dan voor alternatief kunnen zien?

Wat als we een systeem zouden hebben dat het collectief op de eerste plaats zet, in plaats van het individu? Een systeem dat in de eerste plaats een mooie samenleving oplevert. Een mooie, veilige, welvarende en prettige samenleving waar iedereen profijt van heeft. Een samenleving waarvan iedereen elke dag de voordelen ervaart, en waartoe iedereen dus graag toegang heeft. Toegang die je verkrijgt als je een bijdrage levert aan die samenleving. Een bijdrage die door de anderen gewaardeerd wordt. En waaraan iedereen daarom graag een zinvolle bijdrage zal willen leveren. En zo wordt die samenleving steeds mooier. Waardoor iedereen er nog meer waarde aan hecht.

Denk nou niet dat dit alleen op een andere planeet mogelijk zou zijn. Zulke systemen bestaan namelijk al. Gewoon, hier op aarde. Het is bijvoorbeeld het systeem van de kleine traditionele gemeenschappen. Ik heb in mijn leven veel tijd doorgebracht op de kleine Griekse eilanden. En op die eilanden leven kleine hechte gemeenschappen. Meestal bestaat daar geen enkele vorm van merkbaar gezag; er is geen politie, en er is nauwelijks invloed van de centrale regering. Mensen regelen de dingen zelf.

Iedereen levert daar een bijdrage aan de gemeenschap. En die bijdrage levert waardering op van de anderen. De gemeenschap wordt door iedereen gezien als zeer waardevol, en dat is hij natuurlijk ook want iedereen heeft er voordeel bij. Iemand die heel veel waardering krijgt van de anderen omdat zijn bijdragen zeer waardevol zijn, kan rekenen op veel toegang tot die voordelen. Een hoog gewaardeerd lid van de gemeenschap kan bijvoorbeeld rekenen op hulp en steun van iedereen als hij dat nodig heeft. Bijvoorbeeld als zijn huis afbrandt, dan zal de gehele gemeenschap hem er weer bovenop helpen. Terwijl iemand die de kantjes er vanaf loopt, beduidend minder steun zal ervaren in zo’n situatie. Door de kantjes er vanaf te lopen, draagt hij minder bij aan, én profiteert hij minder van de voordelen van de gemeenschap. Wanneer hij de boel zou verzieken en uit eigenbelang zou frauderen of stelen, dan loopt hij het risico helemaal uitgesloten te worden van de voordelen van het collectief. En dat is een klein voordeel niet waard. Daarom bestaat er in die gemeenschappen geen criminaliteit. En om diezelfde reden is iedereen gemotiveerd om een zinvolle bijdrage te leveren aan die gemeenschap. Daarmee wordt niet alleen het eigen belang gediend, maar door al die zinvolle bijdragen wordt het collectief steeds waardevoller, en daarmee groeit dus ook de mogelijkheid om daarvan te profiteren, en dus ook de motivatie om er nog meer aan bij te dragen etc. Een mechanisme dat zichzelf aandrijft.

Dit systeem is mogelijk omdat iedereen elkaar kent. Omdat iedereen weet welke bijdragen er door iedereen geleverd zijn. Het systeem is gebaseerd op sociale verbondenheid, in plaats van verdeling. Het is gebaseerd op bestaansrecht verdienen, in plaats van bestaansrecht bevechten. Het is gebaseerd op elkaar bestaansrecht geven, in plaats van elkaar bestaansrecht afnemen. Het is gebaseerd op gunnen, in plaats van concurreren. Het is gebaseerd op opgebouwd krediet (in de ruimste zin van het woord), in plaats van opgebouwde schuld (in elke zin van het woord).

En omdat het collectief als geheel op deze manier steeds meer waarde krijgt, en dus krediet opbouwt, staat het in schril contrast tot het concurrentiesysteem waarbij het collectief als geheel juist steeds minder waarde krijgt, en steeds dieper gebukt gaat onder opbouwende schuld. En dat is hier momenteel voor iedereen pijnlijk waarneembaar.

En bovendien: het is een systeem dat zichzelf regelt. Er is geen enkele centrale autoriteit voor nodig om de boel te besturen. Er is geen regering nodig met regels en wetten. Geen politie, want er is geen criminaliteit. Een dief straft zichzelf. Hij zal worden uitgesloten door het collectief, in plaats van ingesloten door de politie. Het systeem werkt zonder gezag. Ook dit in schril contrast tot het concurrentiesysteem van “ieder voor zich”, waarbij een sterk gezag nodig is om alle geschillen te beslechten en om criminaliteit te beperken. Gezag dat door haar macht en de daaruit voortvloeiende dwang, over het algemeen meer bedreiging dan bescherming oplevert.

Nou zou je dus kunnen zeggen dat dit idee utopisch is omdat het alleen werkt in kleine gemeenschappen waar iedereen elkaar kent, en we wonen nou eenmaal niet meer in kleine gemeenschappen. En dat is natuurlijk zo. Maar dan hebben we geen rekening gehouden met het menselijk vernuft. De kleine gemeenschappen zijn verdwenen onder de invloed van de moderne technologie, maar het is juist die technologie die ons momenteel een mogelijkheid biedt om ons weer met elkaar te verbinden. En dat is internet.

Precies op deze manier werkt namelijk een van de meest succesvolle internetgemeenschappen: Ebay*. De Ebay gemeenschap bestaat wereldwijd momenteel uit meer dan 180 miljoen leden die elkaar in de regel niet persoonlijk kennen. Toch kunnen de leden ongelimiteerd met elkaar handelen, zonder dat er sprake is van een sterke centrale autoriteit. En dat komt omdat de leden ervan elkaar letterlijk en figuurlijk waarderen.

Ebay biedt de deelnemers grote voordelen. In veel landen zijn zowel veel particulieren als detaillisten helemaal overgegaan op handelen via Ebay. En dat doen ze omdat het systeem voordelen biedt waar ze graag van profiteren. De leden zijn dus gebaat bij een florerend collectief: Ebay.

Na iedere transactie geven de koper en de verkoper elkaar een waardering: is er netjes op tijd betaald, is er netjes op tijd de afgesproken waar geleverd. Het aantal positieve of negatieve waarderingen dat een verkoper gekregen heeft, is voor iedereen zichtbaar. Verkopers met een hoog percentage positieve waarderingen zijn dus betrouwbaar. En omdat iedereen dat kan zien en omdat iedereen graag van een betrouwbare verkoper koopt, kunnen die betrouwbare verkopers gemakkelijker verkopen. Goed presteren is dus in hun eigen belang, maar daarmee leveren ze ook een bijdrage aan het geheel: de Ebay gemeenschap.

Tegenwoordig hebben vrijwel alle verkopers een score van meer dan 95% positieve waarderingen. En dat is logisch. Mensen met een lagere waardering verkopen niks meer omdat klanten liever kopen bij mensen met een hogere waardering. Slechte verkopers worden zo uitgesloten of worden genoodzaakt om beter hun best te doen, willen ze van het systeem kunnen blijven profiteren. Omdat iedereen daarom beter zijn best doet, krijgt het systeem als geheel steeds meer waarde. En daarom valt er ook steeds meer van te profiteren: mensen ervaren kopen op Ebay steeds meer als prettig en veilig, en daarom komen er steeds meer kopers en dat is dan weer in het voordeel van de verkopers etc. Wie het meest bijdraagt, krijgt de meeste waardering, kan het meest verkopen en profiteert dus het meest. Een mechanisme dat zichzelf aandrijft.

Oplichters ontzeggen zichzelf de toegang tot de voordelen van het systeem, omdat ze zullen worden buitengesloten zodra ze slechte waarderingen krijgen. En zo reguleert een gemeenschap van 180 miljoen mensen (die allemaal iets willen verdienen) zichzelf. Zonder centraal gezag. Het wordt mogelijk omdat mensen elkaar waarderen, in plaats van bevechten.

Als dit met tweedehands spulletjes of handel in kleingoed kan, waarom zou zoiets dan ook niet kunnen met hetgeen waaruit al die artikelen zijn ontstaan: arbeid. Elkaars inspanningen en talenten (waaruit arbeid bestaat), over en weer waarderen op basis van de bijdrage die deze arbeid oplevert. Een bijdrage aan het geheel. Aan de mensheid. En dus aan alle leden ervan. Een mooie inrichting van de mensheid waarvan iedereen profiteert, en waarvan de voordelen, (de arbeid van anderen) meer toegankelijk worden naarmate je zelf meer zinvolle bijdragen levert. Waarvoor iedereen dus zijn best zal doen. Een mensheid en een omgeving die daardoor steeds mooier zal worden, in plaats van steeds lelijker zoals nu. Een omgeving die niet meer geteisterd zal worden door zinloze overproductie en de bijbehorende vervuiling zoals nu. Een omgeving die voor iedereen bestaansrecht zal bieden, simpelweg omdat wij elkaar dat bestaanrecht zullen geven, in plaats van afnemen zoals nu. Een omgeving waarin de bestaande overvloed voor iedereen toegankelijk zal zijn, in plaats van voor enkelen zoals nu.


De technologie is er. Het enige dat we nodig hebben is een handige webdeveloper, en de eerste paar deelnemers. Net zoals Ebay ooit begon met de eerste twee deelnemers: een verkoper en een koper. Ebay waarvan in het begin niemand de voordelen zag (‘dat gaat nooit werken!’), maar dat desondanks in 15 jaar uitgroeide tot wat het nu is.

Wie doet mee?


* Hierop werd ik opmerkzaam gemaakt door Stefan Molyneux. Ziehier wat hij erover te zeggen heeft. De filmpjes op zijn website zijn trouwens allemaal de moeite waard.

dinsdag 7 december 2010

Wikileaks




Ik heb een beetje een verward gevoel bij de hele Wikileaks affaire. Iets zit me niet lekker. Het wringt.

Als ik één ding geleerd heb de afgelopen jaren, dan is het wel dat belangrijke gebeurtenissen in de wereld vrijwel nooit ‘zomaar’ gebeuren. Daarnaast heb ik ook geleerd dat de dingen die het journaal en de kranten (de main stream media dus) ons willen doen geloven, eigenlijk nooit helemaal waar zijn (maar vaak wel helemaal onwaar). En dat is niet onbegrijpelijk. Nieuws vertegenwoordigt een bepaalde kracht, en de mens zou de mens niet zijn als die kracht niet zou worden ingezet voor bepaalde belangen door degenen die de mogelijkheid hebben om dat te doen.

Nou zat ik me dus af te vragen welk belang er achter de berichtgeving over Wikileaks zou kunnen zitten. Voor de duidelijkheid: ik zeg niet dat het zo is, maar ik zeg dat het niet onmogelijk zou zijn dat we hier te maken hebben met een staaltje van manipulatie. Het zou in ieder geval niet de eerste keer, en hoogstwaarschijnlijk ook niet de laatste keer zijn. Sterker nog: het feit dat Wikileaks serieus genomen wordt, betekent op zichzelf al dat de meeste mensen het aannemelijk vinden dat we gemanipuleerd worden. Wikileaks zou immers onthullingen doen over geheimen en verdraaide waarheden of zelfs leugens. Wikileaks zelf gaat over manipulatie. Wil je dus geloven dat Wikileaks echt is, dan moet je eigenlijk ook aannemen dat manipulatie bestaat.

Stel nou, dacht ik, stel nou dat dit hele Wikileaks verhaal een toneelstukje is, een stukje geregisseerd theater, wat zou daarvan de bedoeling kunnen zijn? Welk belang zou daarmee dan behartigd kunnen worden?

Op een gecontroleerde manier de aandacht afleiden van andere klokkenluidersites? Het stroomlijnen en beheersbaar maken van alternatieve nieuwsmedia? Het tot de orde roepen van lagere overheden? Dat zou allemaal kunnen, maar dan ontbreekt er één ding dat in andere manipulaties over het algemeen wel aanwezig is, en dat is dat manipulaties meestal de bedoeling hebben om dingen te veranderen. Om rechtvaardiging te genereren voor een verandering. Verandering waartegen mensen zich, zonder die rechtvaardiging, zouden verzetten. Dus kwam de vraag op, welke verandering zou deze affaire kunnen rechtvaardigen?

Ik besteedde aan deze vraag eerlijk gezegd niet heel veel aandacht, totdat ik vandaag naar het journaal zat te kijken. Zoals iedere dag werd er weer uitgebreid verslag gedaan van de ontwikkelingen rondom Wikileaks. Bovendien werd gemeld dat Wikileaks informatie vrijgegeven had over ‘strategische doelen’. En dat die informatie ‘terroristen’ in de kaart zou kunnen spelen. Ook bij De Wereld Draait Door (ja, ik weet het, ik kijk naar die dingen..) zat oud minister Bertje Koenders. Hij meldde dat hij een groot voorstander was van openheid, maar dat hij het prijsgeven van informatie over ‘strategische doelen’ onverantwoord vond. En toen ging er bij mij een lampje branden.

Stel nou (ik weet het is hypothetisch, maar toch), stel nou eens dat dit inderdaad een stukje theater is. Dat dit een stukje manipulatie is dat de bedoeling heeft om voor eens en voor altijd het internet aan banden te leggen. Dan zou dat een heleboel vragen ophelderen. Dat zou dan ook antwoord geven op mijn vraag welke verandering hiermee gerechtvaardigd dient te worden. Dat zou ook verklaren waarom de media juist Wikileaks zo omarmen. Het zou ook de uitspraak van Koenders verklaren.

Nogmaals, ik zeg niet dat het zo is. Dat kan ik tenslotte (nog) niet weten (ik heb geen glazen bol), maar het zou geen onlogische gedachte zijn om te vermoeden dat deze Wikileaks affaire de rechtvaardiging moet genereren om het vrije internet af te sluiten. Want stel, stel nou eens dat er binnenkort een “aanslag” plaatsvindt. Een aanslag op een strategisch doel dat door Wikileaks “onthuld” is. Wikileaks dat “terroristen” informatie gegeven heeft waardoor die terroristen die aanslag konden plegen. Stel dat zoiets gebeurt, en dat die aanslag veel mensenlevens kost, dan zal er geroepen worden: ‘Dit mag nooit meer gebeuren!’

En dat zou de perfecte rechtvaardiging zijn om het vrije internet af te sluiten. Omdat zoiets, zo’n vreselijke aanslag door terroristen, dat zoiets nooit meer mag gebeuren. Dan zou men kunnen roepen: ‘Zie je wel, internet is levensgevaarlijk!’

Oftewel, zou de Wikileaks affaire misschien de aanloop naar een tweede 9/11 kunnen zijn? Maar dan nu bedoeld om internetvrijheid te beperken of omzeep te helpen?

Ik weet het natuurlijk niet. Maar het zou kunnen. Het zou heel goed kunnen. Maar ik hoop het natuurlijk niet. Maar ik wil het toch gezegd hebben.


Mocht iemand andere suggesties hebben over de werkelijke bedoelingen achter deze Wikileaks affaire, dan hoor ik ze graag.

zaterdag 4 december 2010

Angst


Angst is lenen van ellende. Zoals een geldlening betekent dat je nu geniet van iets dat je later misschien verdient, zo betekent angst dat je nu lijdt onder iets dat later misschien gebeurt.

Mensen zijn alleen bang voor dingen die zouden kunnen gebeuren. Nooit voor dingen die op een moment werkelijk plaatsvinden. Angst gaat nooit over nu, maar altijd over de toekomst. Of die toekomst nou over vijf jaar, vijf minuten of over vijf seconden is, het maakt niet uit, het is altijd angst voor de toekomst.

Angst is een van de belangrijkste drijfveren van mensen. Een groot deel (volgens sommigen zelfs alles) van ons doen en laten is erop gebaseerd. Angst wordt door iedereen ervaren als een nare, negatieve emotie.

Er bestaan twee soorten angst: angst voor concrete zaken zoals oorlog of armoede of misdaad (doodsangst), en angst voor angst: angst voor de onprettige emotie zelf.


Om angst te pareren bestaan er twee mogelijke strategieën:

De eerste mogelijke strategie is bewustwording.

Je kunt jezelf wapenen tegen angst door jezelf bewust te maken van hetgeen er op je af komt. Als je weet wat er op je afkomt en hoe het er ongeveer uit zal zien, dan kun je voorzorgsmaatregelen nemen. Bijvoorbeeld het gevaar afwenden, of je ertegen beschermen. Deze strategie is gebaseerd op angst voor concrete zaken en kan soms inderdaad gevaar afwenden. Angst is daarom niet per definitie iets negatiefs: als de Duitsers in 1933 (toen Hitler aan de macht kwam), geweten hadden wat er op ze afkwam, dan zouden ze terecht bang geweest zijn. Dat was misschien geen fijn gevoel geweest, maar het had ze wel de mogelijkheid gegeven om er iets aan te doen. Met de strategie van bewustwording, wordt angst omgebogen naar handelen.

Het risico van de bewustwordingsstrategie is, dat de mogelijkheid bestaat dat je weliswaar uitvindt wat er op je afkomt, maar dat je tot de conclusie moet komen dat je er niets tegen kunt doen. Dat het gevaar zo groot is dat je jezelf er niet tegen kunt wapenen. Je kunt de angst dan niet ombuigen naar handelen, en die angst blijft dan dus bestaan, of wordt zelfs erger. En dan had je misschien beter kunnen kiezen voor de tweede strategie, maar dan is het te laat.

De tweede strategie is: bewustwording voorkomen.

Verdringing. Het is de bekende struisvogelpolitiek van ‘kop in het zand’. Door niet te willen weten wat er in het verschiet ligt, kun je jezelf wijsmaken dat er geen enkel gevaar dreigt. Het voordeel is dan dat je niet bang hoeft te zijn, en niets hoeft te doen. Je verdringt angst, en je hoeft die angst dus ook niet om te buigen naar handelen. Deze strategie is gebaseerd op angst voor angst; bang om bang te zijn. Het nadeel is, dat je dan geen idee hebt wat er gaat gebeuren, en dat je dus altijd onvoorbereid met problemen geconfronteerd zal worden. Dat terwijl veel van die problemen prima oplosbaar geweest zouden zijn als je vooraf wist dat ze zouden komen en hoe ze eruit zouden zien. Dan had je erop kunnen anticiperen. Maar de struisvogelstrategie blokkeert alle bewustwording, en dus ook bewustwording over hanteerbare problemen. Het is daarom niet mogelijk om eerst strategie 1 (bewustwording) te proberen, en vervolgens (als je erachter komt dat het probleem onoplosbaar is) alsnog te kiezen voor strategie 2 (onbewust blijven). Je kunt dingen namelijk niet ‘onweten’.

Dat is ook de reden waarom mensen die kiezen voor strategie 2 (onbewust blijven), altijd de mensen die kiezen voor bewustwording met alle mogelijke middelen zullen bevechten. De “onbewusten” kunnen hun eigen strategie alleen in de lucht houden door onwetend te blijven, en de groep “bewusten” is wetend, en daarmee besmettelijk. Dit is het mechanisme achter ‘killing the messenger’ en achter het afbranden van klokkenluiders.

Omdat angst voor angst niet om te zetten is naar handelen, maar alleen te hanteren is door verdringing, zal die angst altijd onder het oppervlak blijven bestaan. De energie ervan kan namelijk nergens een uitweg vinden, en wordt daarmee opgeslagen in het onderbewustzijn. Dat maakt mensen die ervoor kiezen zoveel mogelijk onbewust te blijven, zeer gevoelig voor nieuwe angsten. Ze zullen er alles aan doen om die te vermijden. Dat maakt ze extreem voorspelbaar en daarmee manipuleerbaar. Het enige wat daarvoor gedaan moet worden is ze attent maken op een gevaar dat van links komt (echt of onecht – dat maakt niet uit: ze willen het toch niet weten; ze kiezen ervoor onbewust te blijven), en ze zullen direct naar rechts gaan. Of andersom.

Ook de “bewusten” zijn manipuleerbaar: hou ze een bedreiging voor, en ze zullen eraan gaan werken om die bedreiging af te wenden of zich ertegen te beschermen. Door ze een uitgekiend nepgevaar voor te spiegelen, zullen ze reageren door te handelen op de manier die de manipulator wil. Deze groep vereist wel een veel meer geraffineerde politiek omdat ze door hun neiging de dingen uit te zoeken, ook snel achter de waarheid komen. Voordeel voor de manipulator is wel dat ze in dat geval bestreden zullen worden door de “onbewusten” en dat de manipulator dat dus niet zelf hoeft te doen.

Angst blijft daarmee het perfecte gereedschap voor iedereen die anderen wil besturen of overheersen. Angst is het belangrijkste vervoermiddel van macht. Het vervoert macht van de angstigen naar degenen die de angst genereren.

vrijdag 3 december 2010

Zinloos werk


Het grootste gevaar voor de toplaag van een hiërarchisch ingerichte maatschappij is overvloed. Overvloed brengt, in tegenstelling tot schaarste, vrijheid. In een situatie van overvloed, kunnen mensen namelijk doen wat ze zelf willen, zonder dat hun bestaan in gevaar komt. Mensen worden onafhankelijk. En onafhankelijkheid is vrijheid. En dat is precies tegenovergesteld aan de belangen van de machthebbers, omdat hun macht nou juist bestaat uit onze onvrijheid.

Daarom zal iedere machthebber proberen om overvloed te voorkomen om daarmee mensen voortdurend in schaarste te houden waardoor ze permanent moeten werken om het hoofd boven water te houden. Het is les één uit het leerboek voor heersers.

Maar daarmee ontstaat een probleem: als mensen voortdurend werken, produceren ze ook voortdurend dingen. En als ze veel zinvolle dingen zouden produceren, zouden er ook veel zinvolle dingen beschikbaar komen, en dat zou dan weer leiden tot overvloed. En dus tot het verdwijnen van de noodzaak om voortdurend te werken.

In deze tijd wordt de productie van steeds meer zinvolle zaken geautomatiseerd. Dat wil dus zeggen dat daarvoor steeds minder arbeid nodig is. Er zijn daarmee steeds minder mensen nodig om de benodigde hoeveelheid aan zinvolle dingen te produceren. Het gevolg daarvan zou dus ook overvloed zijn, namelijk een overvloed aan tijd. Het wordt overbodig om steeds te blijven werken als er voldoende zinvolle zaken beschikbaar zijn. En die overgebleven tijd kan dan aan andere dingen besteed worden. Aan andere zinvolle dingen bijvoorbeeld.

Het is voor het voortbestaan van de hiërarchische machtsstructuur daarom noodzakelijk dat er zoveel mogelijk mensen zinloos werk verrichten. Zinloos werk dat voorkomt dat mensen tijd hebben om zich bezig te houden met zinvolle zaken. Zinvolle zaken die tot overvloed zouden leiden, en daarmee tot het verlies van controle van de machthebbers over het volk. Maar het is nog niet zo eenvoudig om mensen voortdurend zinloos werk te laten doen. Mensen zijn uit zichzelf namelijk geneigd om hun tijd en energie te besteden aan zaken die ze juist wel zinvol vinden. En daarom wordt er op alle fronten aan gewerkt om dat te voorkomen.

Een van de dingen die daarvoor worden ingezet is propaganda. Bijvoorbeeld propaganda om ook vrouwen zinloos werk te laten doen. Het feminisme is een mooi voorbeeld van een succesvolle campagne. Vanaf de jaren zestig is vrouwen verteld dat het grootbrengen en opvoeden van kinderen een taak is die gebaseerd is op ondergeschiktheid. En dat een zinvolle levensinvulling alleen buitenshuis te vinden is. Een typisch voorbeeld van een Orwelliaanse omkering. Het heeft ervoor gezorgd dat veel vrouwen de zinvolle taak van het grootbrengen en opvoeden van kinderen, inruilden voor zinloos werk buiten de deur. De in de media getoonde rolmodellen waren (en zijn) steeds moeders met interessante banen zoals advocaat, manager of succesvol zakenvrouw, maar in de praktijk kwam het erop neer dat verreweg de meeste vrouwen zinloos repetitief of administratief werk gingen verrichten.

Doordat die vrouwen daarmee ook een bijdrage gingen leveren aan het gezinsinkomen, steeg het gemiddelde gezinsinkomen, en, zoals altijd, stegen de kosten van levensonderhoud evenredig mee. En dat dwong andere vrouwen - vrouwen die zich liever toewijdden aan het grootbrengen van hun kinderen - om ook buitenshuis te gaan werken, en daarmee eveneens hun zinvolle bezigheden thuis, in te ruilen voor zinloze bezigheden buiten de deur. Anders was het leven niet meer betaalbaar.

Een ander speerpunt van de campagne voor zinloosheid is onderwijs. Onderwijs speelt een belangrijke rol in het zinloos werk, omdat goed onderwijs ervoor zou kunnen zorgen dat mensen vaardigheden krijgen. En mensen met vaardigheden zullen die vaardigheden willen gebruiken. Ze zullen die vaardigheden op een zinvolle manier proberen in te zetten. Als er veel mensen zijn met zinvolle vaardigheden, dan zal dat dus leiden tot het tot stand komen van veel zinvolle dingen, en dat zal vervolgens weer leiden tot overvloed. En dat mag dus niet.

Vandaar dat het ongewenst is dat een meerderheid van de mensen zinvolle vaardigheden leert. Sinds enkele jaren is er daarom in het onderwijs sprake van een door de overheid opgelegde methodiek met de naam “competentie-gericht onderwijs”. Competentie wil zeggen vaardigheid. Vaardigheidsgericht onderwijs dus. Ook dit is weer een uitermate cynisch voorbeeld van een Orwelliaanse omkering. Competentie-gericht onderwijs doet namelijk precies het tegenovergestelde van wat de naam suggereert. Binnen competentie gericht onderwijs wordt het docenten lastig gemaakt en soms zelfs ronduit verboden om vakkennis over te dragen. Dit type onderwijs is volledig gericht op verwarring en stuurloosheid door het ontbreken van iedere vorm van logische structuur.

De belangrijkste competentie die de leerling aangeleerd krijgt, is het opvolgen van zinloze opdrachten zonder kritische vragen te stellen, en het omgaan met een omgeving bestaande uit collega’s die zich ook voortdurend bezighouden met zinloze taken. Oftewel het opdoen van de benodigde sociale “vaardigheden” om zonder morren te verblijven in een omgeving van volledige zinloosheid. En om deze manier van leven en bezig zijn te ervaren als volkomen normaal. Dit alles om te voorkomen dat mensen vaardigheden ontwikkelen en die daarom ook zullen gaan gebruiken.

Naarmate er meer overvloed aan zinvolle zaken dreigt te ontstaan (hetgeen als gevolg van de moderne geautomatiseerde productiemethoden momenteel het geval wordt), moet de groep mensen met werkelijke vaardigheden dus steeds kleiner worden. Ook dat is prima terug te zien in het onderwijs.

Zo’n 70% van de jeugd blijft steken bij het steeds verder verschralende VMBO/MBO, een percentage dat groeit. Ze krijgen daar een “opleiding” die ze nergens anders voor klaarstoomt dan het accepteren en opvolgen van zinloze opdrachten en het afzien van het stellen van kritische vragen. Het bereidt ze voor op een levenlang van zinloze bezigheid. Daarnaast rechtvaardigt het lage opleidingsniveau een laag inkomen gedurende hun werkzame leven, en ook dat draagt bij aan de beoogde schaarste. Schaarste die noodzakelijk is om de controle, en daarmee het hiërarchische model in stand te houden.

Schaarste die nog verder versterkt wordt door het opzetten van economische crises, en, als er desondanks een overvloed dreigt te ontstaan, het vernietigen van die overvloed door middel van oorlog. Maar daarover een andere keer.

maandag 29 november 2010

Vrijheid


Wordt vrijheid gevonden in jezelf, in je eigen gedachten en bewustzijn, of is vrijheid iets dat door de buitenwereld of de autoriteiten wordt toegekend of afgenomen? Dat is een steeds terugkerende vraag. Is het mogelijk om autonoom, dus in je eentje, vrij te worden, of moeten daarvoor eerst de bestaande externe machtsstructuren worden veranderd: regeringen omver geworpen, bankiers verjaagd?

Is vrijheid een mentale individuele toestand, of een culturele collectieve toestand?

Ik neig hoe langer hoe meer naar de gedachte dat daartussen geen verschil bestaat.

De macht van iedere heerser bestaat nergens anders uit, dan uit de gehoorzaamheid van anderen. Naarmate mensen meer aan hem gehoorzamen, of er meer mensen aan hem gehoorzamen groeit zijn macht. Macht is immers niks meer dan de mogelijkheid om anderen te laten doen wat de machthebber wil; om anderen te laten gehoorzamen.

En die macht kan hij aanwenden voor het uitoefenen van dwang. Dwang waarvoor hij gehoorzame onderdanen gebruikt om die ten uitvoer te brengen. Die gehoorzaamheid is
essentieel, omdat hij in zijn eentje niet langs alle deuren kan gaan om met zijn pistooltje ieders gedrag af te dwingen.

Zo heeft hij dus de gehoorzaamheid van bijvoorbeeld zijn politie en zijn leger nodig. Wanneer de heerser roept: ‘schiet!’ en de soldaten of de agenten zeggen: ‘nee, doe het zelf maar’, dan kan hij met zijn handen wapperen, en met zijn voeten stampen, of met een rood aangelopen hoofd gaan staan schreeuwen, maar dan heeft hij geen enkele macht. Het is de gehoorzaamheid van die soldaten en agenten die hem zijn dwangmiddelen verschaft, en die hem het gereedschap geeft om anderen (buiten politie, leger, ambtenaren) ook te dwingen om te gehoorzamen, waardoor zijn macht nog verder groeit. Zijn macht bestaat dus uit niets anders dan de gehoorzaamheid van anderen. Al of niet afgedwongen.

En vrijheid is nou juist de mogelijkheid om niet te gehoorzamen.

Kort gezegd: gehoorzamen leidt tot macht, en macht leidt tot afgedwongen gehoorzaamheid en dat leidt weer tot nog meer macht etc. En meer macht voor de één, betekent minder vrijheid voor de anderen.

Er zijn voor mensen twee motieven om te gehoorzamen: ten eerste (zoals hierboven beschreven) vanwege dwang. Maar daarnaast, en nog belangrijker: om geen verantwoordelijkheid te hoeven dragen. Veel mensen geven graag hun verantwoordelijkheid aan een ander, een leider, in de veronderstelling dat deze leider die verantwoordelijkheid voor hen zal dragen. In de veronderstelling dat ze daarmee niet meer zelf verantwoordelijk zijn. Maar dat is een illusie. Een misvatting.

Degene die zijn verantwoordelijkheid denkt in te ruilen voor gehoorzaamheid, is net zo verantwoordelijk voor de inrichting van de wereld als iemand die dat niet doet. Hij is namelijk verantwoordelijk voor het ontstaan van de bestaande hiërarchische structuur. Hij is degene die met zijn gehoorzaamheid de macht van de heerser voedt. Hij is daarmee verantwoordelijk voor de macht van die heerser. En daarmee voor zowel zijn eigen onderdrukking, als die van anderen. Net zoals degene die niet gehoorzaamt, verantwoordelijk is voor de vrijheid van zowel zichzelf als die van anderen. Verantwoordelijkheid voor de vormgeving van het collectief is daarmee nooit af te dragen of te ontlopen. Ook niet door te gehoorzamen want ook dat draagt bij aan de vormgeving van het geheel.

Wat er ontbreekt is dus niet verantwoordelijkheid, maar besef van verantwoordelijkheid.

De inrichting van het collectief bestaat uit het gedrag van alle individuen, en al die individuen zijn er dus verantwoordelijk voor. Willen we dat collectief veranderen (willen we bijvoorbeeld meer vrijheid) dan kan dat alleen in het besef dat wij (alle mensen) daarvoor verantwoordelijk zijn. Zolang we dus naar de machthebbers blijven schreeuwen en verbetering eisen, blijven we in de veronderstelling dat ZIJ verantwoordelijk zijn voor het wel en wee van de wereld. En daarmee blijven we de vergissing ondersteunen dat we zelf geen verantwoordelijkheid dragen, maar dat ZIJ het beter of rechtvaardiger moeten doen. En met die vergissing voeden we hun macht én onze onvrijheid.

Het enige dat er dus nodig is voor vrijheid is: niet gehoorzamen. En de beslissing om dat al of niet te doen, kan pas gemotiveerd worden genomen als het besef doordringt dat iedere beslissing om wel te gehoorzamen zal leiden tot meer macht, en dat die macht zal leiden tot meer dwang om te gehoorzamen, en daarmee dus tot meer onvrijheid. Pas wanneer iedereen beseft dat zijn gehoorzamen direct leidt tot onvrijheid van niet alleen zichzelf, maar ook van anderen, dan kunnen degenen die met hun gehoorzaamheid deze macht voeden, gewezen worden op hun verantwoordelijk zijn voor de onvrijheid van de rest.

Vrijheid kan dus helemaal nooit bestaan zonder besef van verantwoordelijkheid voor het geheel. Vrijheid kan alleen ontstaan als iedereen ervan doordrongen is dat de werkelijke dictator niet bestaat uit de regering, of de bankiers, maar uit degenen die aan hen gehoorzamen. Wil je dus iemand verantwoordelijk houden voor onvrijheid, dan moet je daar niet aankloppen, maar bij degene die daarvoor werkelijk verantwoordelijk is: jijzelf, of je buurman als hij weer eens slaafs gehoorzaamt. Hij is de werkelijke boosdoener. Ook al weet hij het misschien nog niet.

Iedereen is daarmee in precies dezelfde mate verantwoordelijk voor hoe de wereld eruit ziet en dus ook voor de mate van vrijheid. Die wereld IS iedereen.

woensdag 24 november 2010

Over geld, macht, Islam, politiek en oorlog


De huidige machtsverhoudingen in de wereld vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in het oude testament dat voor zowel het Christendom als de Islam en het Jodendom gelijk is.

Hierin staat dat het zondig is om rente te vragen.

Wikipedia zegt hierover:

In veel religies werd het heffen van rente op een lening als een zonde beschouwd. Meestal ging dit uit van twee benaderingen. Volgens de eerste kon geld zich niet zomaar 'uit zichzelf' vermeerderen, omdat alleen God of de goden zaken konden scheppen. De tweede, meer praktische reden om het heffen van rente als zonde aan te merken, was het feit dat woekeraars soms doelbewust dermate hoge percentages rekenden dat de schuldenaar nooit uit de schulden kon komen en al zijn goederen en uiteindelijk zijn vrijheid moest afstaan. Een dergelijke gang van zaken werd gelijkgesteld aan stelen, en was daarmee een zonde.

Om deze reden verbood de katholieke kerk tot in de middeleeuwen het heffen van rente. Joden, daarentegen, interpreteerden de regels van het oude testament anders. Het oude testament verbood het vragen van rente aan broeders, en omdat niet-joden geen broeders waren (zo redeneerde men) was het vragen van rente aan niet-joden toegestaan. Dit is de oorsprong van de prominente aanwezigheid van joden in de bancaire en financiële wereld, tot op de dag van vandaag.

Nogmaals Wikipedia:

In de Middeleeuwen was het christenen verboden rente te heffen, wat leidde tot de positie van joden als bankiers en geldverschaffers. Ook joden zelf was het in principe niet toegestaan rente te heffen, maar dit renteverbod gold niet wanneer zaken werd gedaan met niet-joden.

Uiteraard trokken de enorme winstmogelijkheden later ook niet-joodse zakenlieden aan, maar de internationale bancaire wereld telt nog steeds een onevenredig groot aantal joodse bestuurders en topfunctionarissen. En dat heeft dus helemaal niks met een “joodse volksaard” of zoiets te maken, maar heeft een puur historische oorsprong.

Wel werd al snel duidelijk dat de bijzondere maatschappelijke positie van bankiers enorme privileges met zich meebracht. Buiten private rijkdom, groeide ook de bestuurlijke invloed van de bankiers. En die invloed explodeerde met de introductie van een systeem met de naam fractional reserve banking in de late middeleeuwen.

Het systeem hield in eerste instantie in dat bankiers maar een klein deel (bijv. 10%) van het aan hen toevertrouwde goud in hun kluis hoefden te houden voor het geval een eigenaar het zou komen ophalen. Omdat het nooit voorkwam dat alle eigenaren tegelijkertijd hun goud kwamen ophalen, bleef er altijd een voorraad goud bij de bankiers. En dat goud (dat hun eigendom dus niet was) leenden ze uit tegen rente.

Met komst van waardepapieren (papiergeld) keerden de bankiers dit mechanisme om. Ze konden zelf waardepapier drukken, en met het in bewaring nemen van één goudstuk, kon nu voor tien goudstukken waardepapier worden uitgegeven, en tegen rente worden uitgeleend. De bankiers werden hiermee een vrijwel onuitputtelijke bron van geld (en daarmee schuld), maar die bron bestond feitelijk op basis van valsemunterij. Er werd immers papiergeld in omloop gebracht waar geen goud tegenover stond.

In eerste instantie stuitte dit systeem op weerstand bij de bestaande machthebbers, maar al snel bleek dat de bankiers hiermee ook de constante geldhonger van koningen en staten konden stillen, en zo werden er verbonden gesmeed tussen de bankiers en die machthebbers. In die zin dat deze vorm van valsemunterij door de wetgevers werd gelegaliseerd op voorwaarde dat de staten ervan konden profiteren.

Ook nu nog is vrijwel het gehele wereldwijde bancaire systeem gestoeld op dit mechanisme. En dat heeft er in de loop van de tijd voor gezorgd dat de bancaire wereld geworden is tot een supranationale wereldmacht. Een wereldmacht die zich niets hoeft aan te trekken van grenzen of nationale wetten.
Vrijwel alle overheden en staten zijn volledig afhankelijk geworden van de welwillendheid van de financiers. En dat geeft die financiers macht over de staten en de bestuurders ervan. Politici en bestuurders kunnen zich uitsluitend bewegen binnen de door de bankiers gestelde kaders. En binnen die kaders staat het belang van de financiers voorop. Voldoet een land of een politicus niet aan de eisen, dan wordt de geldkraan simpelweg dichtgedraaid.

Tot het einde van de negentiende eeuw konden de bankiers die macht alleen laten gelden via de gevestigde politiek in de landen die financieel afhankelijk gemaakt waren. Maar dat hield ook een beperking in van hun invloed. En die beperking betekende dat men rekening moest houden met de internationale verhoudingen tussen de verschillende staten. Staten die individueel weliswaar volledig in de financiële houdgreep zaten van de bankiers, maar onderling vaak op gespannen voet stonden. Spanningen overigens waar de bankiers garen bij sponnen omdat oorlogvoeren de belangrijkste oorzaak was van vraag naar kapitaal, en die daarmee de afhankelijkheid van de staten aan de bankiers deed toenemen.

Dit systeem had de internationale bankiers dus enorme macht en invloed gebracht in het grootste gedeelte van de wereld. Ze waren achter de schermen de werkelijk machthebbers geworden die de officiële machthebbers konden besturen met hun controle over geld. Dit gold voor de gehele westerse wereld. De rest van de wereld was of gekoloniseerd door de westerse mogendheden, en vielen dus ook onder de invloed van de bankiers, of oninteressant.

Dat veranderde tegen het einde van de 19e eeuw. Ten eerste werd in 1869 het Suezkanaal geopend. Hierdoor werd de handelsroute naar de oostelijk koloniën met 8000 km bekort, en daarom werden de omringende landen (met name Egypte) van groot strategisch belang. Maar nog belangrijker was de ontdekking van grote olievoorraden in het Midden-Oosten.

Het Midden-Oosten was jarenlang slechts een achtergestelde regio van het Ottomaanse rijk. Met het einde van de negentiende eeuw kwam daar sterke verandering in. Dit had twee oorzaken:
1. De strategische ligging. In 1869 werd in Egypte het Suez-kanaal geopend, wat een uiterst handige handelsroute werd tussen Europa en India. De koning van Egypte, Ismail, wilde Egypte moderniseren en bouwde uiterst moderne, semi-Parijse wijken in Cairo. Dit kostte ontzettend veel geld, en daarom zette de Egyptische koning in 1875 de aandelen van het Suez-kanaal op de markt. Meteen kocht de Britse premier de aandelen, waarmee Groot-Brittannië haar handelsroute met India ruim 8000 km had verkort. Het Suez-kanaal was nu de navelstreng van het Britse rijk geworden. Na hevige rellen in Egypte tegen de Westerse aanwezigheid, werd Egypte een Brits protectoraat.

2. De olie. In het begin van de twintigste eeuw werden enorme olievelden ontdekt in het Midden-Oosten, voornamelijk in de Arabische golf.
Deze twee oorzaken leidden ertoe dat het Midden-Oosten één van de belangrijkste regio's in de wereld werd. De Westerse mogendheden moesten dit zien te besturen.

Het Midden-Oosten werd dus in korte tijd ineens een enorm belangrijke regio. Een regio waarop de bancaire elite dus (kosten wat het kost) haar greep moest krijgen. Door de potentiële enorme inkomsten uit olie, en de controle over westerse handelsroutes, zouden de lokale machthebbers in die regio geduchte concurrenten kunnen worden, en dat kon uiteraard niet worden toegestaan.

Maar hier stuitten de bankiers op een probleem: het Midden-Oosten werd gedomineerd door de islamitische religie, en volgens die religie mocht er geen rente gevraagd of betaald worden. Een religieuze wet die tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat in veel islamitische landen. De vertrouwde bankiersstrategie van fractional reserve banking om de macht in handen te krijgen, ging hier niet op. Er moest dus iets anders verzonnen worden.

Ook de invloed op de verschillende westerse naties bood geen uitkomst. Men kon niet één van die naties verplichten om het Midden-Oosten door middel van oorlog te onderwerpen. Dit zou de onderlinge machtverhoudingen tussen de landen scheeftrekken en dat zou leiden tot een internationale oorlog tussen die uitverkoren natie en de andere westerse landen.

De bankiers hadden weliswaar de macht over alle westerse landen afzonderlijk, maar de betrekkingen tussen die landen waren van dien aard dat samenwerking uitgesloten was. Toch was bij gebrek aan bancair/financiële strategieën, oorlog uiteindelijk de enige overgebleven mogelijkheid om het Midden-Oosten te onderwerpen.

Maar om oorlog te kunnen voeren is een aanleiding nodig. Een aanleiding om de steun en de samenwerking te genereren van de landen die deze beoogde oorlog moeten gaan voeren. Het is immers onmogelijk om zomaar en zonder officiële rechtvaardiging een oorlog te starten zonder als agressor aangewezen te worden. Bovendien zou dat de werkelijk drijfveer (totale wereldmacht van de bancaire sector) onthullen.

Meestal wordt de benodigde aanleiding gevonden in het provoceren van de beoogde tegenstander om daarmee een aanval uit te lokken. Maar de landen in het Midden-Oosten hadden geen enkele baat bij een aanval op hun afnemers. Olie was immers vooral gevraagd door de geïndustrialiseerde wereld, de westerse landen dus, en de islamitische landen zouden die westerse landen (hun klanten) dus nooit aanvallen. Er moest een ander plan komen.

Een langetermijnplan dat uiteindelijk zoveel onrust in de regio moest gaan brengen dat de islamitische wereld aangevallen zou kunnen worden met steun van de rest van de wereld. En zo kwam men op het idee van het zionisme. Een supranationale politieke beweging met als doel de stichting van een joodse staat op Palestijns grondgebied, midden in de islamitische wereld. Een politieke beweging die gestoeld is op ideeën over de joodse identiteit en de joodse geschiedenis. Een beweging die nauwelijks gebaseerd is op religieuze gronden, maar die politieke en strategische doeleinden nastreeft.

Rond 1900 bestond er eigenlijk nauwelijks zoiets als een joodse identiteit. Joden waren verspreid over de wereld en de meeste leidden een seculier bestaan. Veel van die joden hadden geprofiteerd van de welvaart die hun historische voorsprong gebracht had. Ze behoorden vaak tot de elite en zagen geen aanleiding om die positie op te geven en te vertrekken naar Palestina. Wel bestond er wereldwijd een groep orthodoxe joden die terugkeer naar Israël nastreefden, maar dan uitsluitend op religieuze gronden, dus na de komst van de Messias, en niet op seculiere basis, zoals het zionisme voorstelt.

Om het plan te laten slagen, moest er dus een strategie gevonden worden die uiteindelijk zou leiden tot de acceptatie van een joodse staat op islamitisch grondgebied. Een staat die gesteund zou worden door de westerse wereld en bestreden door de islamitische wereld. En in dat bestrijden zou een rechtvaardiging voor een aanval gevonden worden.

In 1897 kwam onder leiding van Theodor Herzl het eerste Internationale Zionistische Congres bijeen. Om te kunnen slagen stelde men zich tot doel om te komen tot acceptatie van het idee dat joden een volk zijn. Zowel bij joden zelf als in de westerse opinie.

Daarvoor waren 4 dingen nodig:

1- Zichtbaar maken van joden in de westerse samenlevingen door middel van segregatie. In eerste instantie door het bevoordelen van joden ten opzichte van niet-joden. Dit zou dan zoveel weerstand oproepen bij niet-joden dat er een negatief beeld en een vijandige stemming t.o.v. joden zou ontstaan. De ontstane polarisatie zou zowel de joodse identiteit versterken, als de tegenstand ertegen.

2- Het initiëren en stimuleren van vervolging van joden als gevolg van die negatieve stemming.

3- Het vinden van rechtvaardiging bij westerse naties in het verlenen van steun voor de oprichting van de joodse staat als reactie op die vervolging.

4- Het verbinden van de westerse naties.

De meeste joden woonden in Midden-Europa, met name in Duistland en Oostenrijk. Om de gewenste tegenstellingen te creëren tussen joden en niet-joden, was het noodzakelijk dat dit gebied eerst tot grote armoede gedreven zou worden, en dat joden alle eliteposities zouden innemen. Om die armoede te bewerkstelligen en om de overige landen afhankelijker te maken van de bankiers, moest er een oorlog komen.

De eerste wereldoorlog voldeed prima. Duitsland werd na de oorlog aangewezen als boosdoener, en werd met het verdrag van Versailles gedwongen tot enorme herstelbetalingen. Dit bracht de geplande armoede onder de bevolking. Tegelijkertijd werden joden in topposities geplaatst in de financiële, culturele, economische en politieke wereld, en werden joodse ondernemingen volop gefinancierd. Joden vormden de nieuwe en zeer zichtbare elite in een omgeving van Duitse armoede. En dit bracht de gewenste onvrede met zich mee. Het was nu wachten op de eerste georganiseerde tegenstand.

Die tegenstand werd gevonden in een splinterpartij, de NSDAP, de Nationaal Socialistische (Nazi) partij die zich afzette tegen Versailles en de joodse elite. Een gezicht werd gevonden in een herkenbare figuur (markant uiterlijk, welbespraakt) en er werd een uitgekiende marketing/propagandastrategie ontwikkeld. Bovendien werd deze beweging door de zionistische bankiers rijkelijk gefinancierd. Met dat geld kon Hitler vliegensvlug (tussen 1933 en 1939) de economie herstellen, het sterkste leger van Europa opbouwen en met de eer strijken om zo het Duitse volk achter zich te krijgen.

Voorwaarde van de bankiers was echter dat Hitler de joden zou vervolgen op een historisch ongekend wrede manier. Voorstellen van de nazi’s om de joden te laten emigreren en zo Duitsland van de door hen gehate joden te verlossen, werden door de bankiers dan ook van tafel geveegd. De joodse identiteit werd eerst misbruikt, en de joden werden vervolgens letterlijk opgeofferd om het doel te bereiken.

Na de tweede wereldoorlog werd de holocaust gebruikt als aanleiding om de stichting van Israël te rechtvaardigen. Daarnaast werden de verschrikkingen van die oorlog aangegrepen om de westerse landen te verenigen in de VN en later de Europese landen in de EU. Alles in het kader van: “dit mag nooit meer gebeuren”.

In 1948 werd de staat Israël gesticht op Palestijns grondgebied met medewerking van de westerse landen. De oorspronkelijke islamitische bewoners van Palestina werden verdreven. Een daad die alleen kon worden gerechtvaardigd door de holocaust, waaraan de Palestijnen uiteraard geen enkele schuld hadden. Dit stuitte op grote verontwaardiging in de Arabische wereld en dat bracht de gewenste tweedeling tussen het Westen en het Midden-Oosten.

Maar ondanks een paar militaire strubbelingen en de voortdurende provocaties van Israël en de westerse landen, kozen de meeste islamitische landen toch voor het bewaren van een gespannen vrede. Het grote internationale militaire conflict waarop gehoopt was, bleef grotendeels uit. Er was te weinig aanleiding voor een groot internationaal initiatief om de gehele islamitische wereld aan te vallen en te onderwerpen, wat natuurlijk wel het uiteindelijk doel was/is.

Al snel werd duidelijk dat er nog een andere strategie nodig zou zijn. Een strategie die ertoe moest leiden dat moslims in een kwaad daglicht zouden komen te staan bij de westerse bevolking. Een strategie die de gehele islamitische wereld zou aanwijzen als potentiële bedreiging. En die strategie werd gevonden in twee richtingen: immigratie en terrorisme.

De immigratiestrategie werd gestoeld op de ervaringen die men had met de vooroorlogse joodse segregatie, maar nu andersom. Dat wil zeggen: men stimuleerde decennialang immigratie vanuit islamitische landen, maar de immigranten vormden nu niet de bovenklasse (zoals bij de joden) maar de onderklasse. Met name ongeschoolde en kansarme moslims werden in groten getale naar de westerse landen gelokt. Daar kregen ze in veel gevallen een voorkeursbehandeling als het ging om sociale en financiële ondersteuning. Dat leidde tot veel onvrede bij de oorspronkelijke westerse bewoners. Een onvrede die door academische opiniemakers en politici in de media werd weggezet als racisme en daarom niet mocht worden geuit. De immigratie zorgde met name in de grote steden voor enorme problemen. Problemen die door het bestuur en de politiek vrijwel volledig werden genegeerd, en afgedaan werden als xenofobie en onderbuikgevoelens.

Zo liep de onderhuidse spanning steeds verder op zonder de mogelijkheid van een uitweg. Er ontstond een latente anti-islam stemming die nergens gehoor kreeg, en nergens geuit kon worden zonder in de media geridiculiseerd te worden.

In het begin van de 21e eeuw werd daar de terrorismestrategie aan toegevoegd. Er vond een aantal aanslagen plaats, en die aanlagen werden in de schoenen van moslims of islamitische organisaties geschoven. Tegelijkertijd werd het embargo op kritiek op moslimimmigranten geleidelijk opgeheven. De door de bankiers beheerste media benadrukken voortduren het gevaar van terrorisme en dikken incidenten met immigranten dagelijks aan. Daarnaast krijgen nieuwe politici die een anti-islam agenda voeren in vrijwel alle landen vrij baan. Uiteraard zodanig ingekleed dat de bestaande gevestigde orde zonder gezichtsverlies kan blijven zitten.

Er wordt een gezicht gevonden (markant uiterlijk, welbespraakt) om de plotseling losgelaten emoties te verwoorden, te vertegenwoordigen en aan te wakkeren. De partij van die figuur wordt ook nu weer rijkelijk gefinancierd door de bancaire zionistische elite. Nu wordt de immigratieproblematiek (die al die jaren ontkend is) ineens het hoofdpunt op de agenda van alle politieke partijen en in de media.

Tegelijkertijd wordt er een internationaal propagandaoffensief gestart dat islamitische landen verdacht moet maken. Eerst Irak, dat onder valse voorwendselen aangevallen wordt. En vervolgens worden de pijlen gericht op andere landen in de regio, zoals Syrië en uiteindelijk Iran. Het is de bedoeling dat de internationale anti-islam stemming nu sterk genoeg is om de steun van de bevolking te winnen voor een oorlog tegen een land dat in de geschiedenis van haar bestaan nog nooit een ander land heeft aangevallen, laat staan een westers land.

En als de oorlog tegen Iran eenmaal een feit is (zo is de gedachte), zal dit leiden tot de gewenste wereldoorlog tegen de gehele islamitische wereld. Een oorlog die rechtvaardiging zal vinden in de wereldwijde angst voor islamitisch terrorisme of oorlogsdreiging. Een dreiging waarvan het idee in ruim honderd jaar tijd, stap voor stap, zorgvuldig gecultiveerd is, en die moet leiden tot acceptatie van oorlog tegen, en de onderwerping van het gehele Midden-Oosten aan de westerse mogendheden. En daarmee dus aan de financiers die daar de dienst uitmaken.


woensdag 3 november 2010

Vrije markt


Regelmatig krijg ik tegengas van mensen als ik het heb over corporate macht. De macht van het bedrijfsleven dus. Vooral de libertariërs onder ons hebben daar moeite mee. Volgens de libertariër bestaat er maar één soort macht en dat is overheidsmacht.

Nou heb ik de onderstaande definitie van macht al vaker gebruikt, maar ik herhaal hem nog maar eens:

Macht is het vermogen om anderen te laten doen wat jij wil.

En daarmee kunnen die anderen dus niet meer doen wat ze zelf willen. Macht van de één, bestaat dus uit de onvrijheid van de anderen.

De libertarische gedachte gaat er vanuit dat als overheidsmacht niet meer zou bestaan, iedereen kan doen wat hij zelf wil, vrij zal zijn, en macht dus verleden tijd zal zijn.

Daarom propageert de libertariër dan ook de ‘vrije markt’. Een vrije markt, zonder enige overheidsbemoeienis garandeert dezelfde mogelijkheden voor iedereen, en het hangt dus van de kwaliteiten en inspanningen van ieder individu zelf af in hoeverre men succesvol is.

In een vrije markt kan iedereen zonder obstakels ondernemen, en de gegenereerde winst is volledig voor de succesvolle ondernemer. En natuurlijk zal de ene ondernemer succesvoller zijn dan de andere.

Een succesvolle ondernemer zal een goed gevoel hebben voor de bestaande behoeften, en daarop inspelen. Of nieuwe latente behoeften ontdekken. En vervolgens datgene aanbieden wat die behoeften bevredigt. Dit mechanisme ligt aan de basis van de moderne economische theorieën.

Om succesvol te zijn, moet een ondernemer niet alleen rekening houden met de behoeften van het publiek, maar ook met zijn concurrenten. Want hij is niet de enige die graag een succesvol ondernemer wil zijn. De concurrent is uit op zijn marktaandeel, en dus zijn winst. De concurrent is de vijand, en de vijand dient bestreden te worden. Dat kan in binnen de libertarische gedachte maar op één manier: zorg dat je een beter product biedt tegen een lagere prijs dan je concurrent dat doet. Dan krijg je het grootste marktaandeel en dan versla je de concurrent. En dat is ook goed voor de consument.

Naarmate de ondernemer groter wordt, verstevigt zijn positie. Het wordt nu makkelijker om minder stevig in het zadel zittende ondernemers uit de markt te drukken. En hoe meer concurrenten hij uit de markt drukt, hoe sterker zijn concurrentiepositie, en hoe makkelijker het wordt om nog meer concurrenten uit de markt te drukken: hoe groter hij wordt, hoe makkelijker het wordt om nog groter te worden. Dat heet het "hefboomeffect".

Het wordt voor succesvolle bedrijven dus steeds gemakkelijker om nog succesvoller te worden. En succesvolle bedrijven trekken financiers aan, in de vorm van aandeelhouders die een graantje (of een zak graan) van het succes willen meepikken. En daardoor wordt het bedrijf nog sterker. Als dit mechanisme ongehinderd kan doordraaien, leidt het tot er een punt waarop er binnen een branche nog maar één overlevende is: de sterkste. Of dat alle succesvolle bedrijven in handen zijn van dezelfde financiers. En dat heet dan een monopolie.

Van de twee regulerende factoren: behoefte (vraag) en concurrentie, is er dan dus nog maar één over: behoefte. De macht van het bedrijf hoeft nu niet meer aangewend te worden om de concurrentie uit te schakelen, of om de gunst van de klant te bedingen, maar kan geheel gericht worden op de behoefte van de consument. Een behoefte die de enig overgebleven ondernemer (of club van aandeelhouders) nu naar keuze meer of minder kan bevredigen. Hij krijgt totale controle over een andere belangrijke factor binnen de economische theorie: schaarste.

Het economisch mechanisme wil dat schaarste (naast concurrentie, maar die is inmiddels uitgeschakeld) bepalend is voor de prijs van een product. Hoe schaarser iets is, hoe meer je ervoor kunt vragen. En omdat er niemand anders meer is die een vergelijkbaar product kan leveren, kan de monopolist zijn product zo schaars maken, of laten lijken, als hij zelf wil. En dus de prijs vragen die hij zelf wil, en dus zoveel winst maken als hij zelf wil. Tenminste, zolang de behoefte blijft bestaan.

Het mooiste zou het natuurlijk zijn als je monopolist bent die een behoefte bevredigt die altijd blijft bestaan. Een behoefte die altijd blijft bestaan omdat het een levensbehoefte is. Zoals bijvoorbeeld energie, of voedsel, of gezondheidszorg, of huisvesting, of geld. Dat mensen simpelweg niet (meer) zonder jouw product kunnen leven.

Als je daar eenmaal beland bent, dan heb je het als ondernemer in de vrije markt helemaal gemaakt. Dan heb je de macht over leven en dood van je afnemers, en je kunt vragen wat je wil, zolang het geen volksopstand oproept. Je hebt nu macht over het volk.

Je hebt van de vrijheid die de vrije markt biedt, gebruik gemaakt om macht te genereren en dus vrijheid van anderen af te nemen. Je bent de baas. Ten koste van de vrijheid van alle anderen.

Nou lukt het bedrijven niet vaak om een volledig monopolie te bereiken. Er zijn bijna altijd wel andere bedrijven die ook groot en succesvol zijn, en dus concurrenten blijven, net zoals jij een concurrent bent voor die andere bedrijven. En dat houdt dus in dat niemand kan heersen over de behoeften van het volk, en dat dus niemand de macht van het monopolie heeft.

Nou kun je van succesvolle ondernemers van alles zeggen, maar niet dat ze dom zijn. Wanneer een markt verdeeld wordt door bijvoorbeeld vijf grote concurrenten, dan zal het niet lang duren tot het doordringt dat je de monopolistische macht beter met zijn vijven kunt delen, dan er helemaal geen gebruik van maken. Als je de handen ineenslaat, en stiekem afspreekt elkaar niet meer te beconcurreren, dan ben je samen een monopolist, en dan heb je ieder een vijfde deel van de monopoliemacht. In plaats van niks.

Dat heet dan een kartel. En dat mag niet van de wet. Het zou de consumenten namelijk geheel uitleveren aan de macht van de corporaties. Je zou het ook openlijk kunnen doen en officieel samengegaan, fuseren dus, tot je monopolist bent. En dat mag (on dezelfde reden) ook niet van de wet.

Die wet wordt gemaakt door overheden. Overheden die volgens de libertarische gedachte niet mogen bestaan. Als die overheid en dus die wet niet bestaat, is de weg naar het monopolie (al of niet in kartelvorm) vrij. In dat geval is de macht dus van de overheid in zijn geheel overgegaan naar de corporatie(s). Het effect voor het volk is hetzelfde: het is onvrij.


Zowel corporaties als overheden willen dus macht. Macht over het volk. En overheden en corporaties beconcurreren elkaar daar ook in. De overheid krijgt macht van het volk toegewezen om dat volk te beschermen d.m.v. wetgeving. Bijvoorbeeld tegen de macht van corporaties. Corporaties proberen macht naar zich toe te trekken door de vrije markt te propageren (en dus de macht van de wetgever te beperken) en zich op te voeren als brengers van welvaart en economische groei. Maar, ze willen allebei meer macht. En ze beconcurreren elkaar daarom.

Maar ook hier geldt: als de concurrentie wegvalt, dan ontstaat er een monopolie. En één monopolie heeft veel meer macht dan twee elkaar beconcurrerende concurrenten. Een monopolie hoeft immers niet meer te dingen naar de gunst van het volk. Een monopolie heeft de macht over het volk.
Het ligt dus voor de hand dat het ook voor corporaties en overheden aantrekkelijk is om samen te gaan. Om samen een kartel te vormen, en de monopoliemacht die dat oplevert, te delen. En dat is dan ook precies wat er gebeurt.
Als overheden dan bijvoorbeeld de macht om geld te creëren aan private banken gunnen, of aandringen op privatisering van ziektekostenverzekering of energiebedrijven, dan betekent dat niet dat de macht over die activiteiten wordt opgegeven, maar dat er binnen het kartel mee wordt geschoven. In dit geval met de bedoeling dat de overheid niet meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geleverde kwaliteit en de prijs. Maar de macht blijft gewoon binnen het kartel en daar profiteren beide partijen van.

Als duidelijk wordt dat er sprake is van misbruik van een monopoliepositie, dan kan het volk in opstand komen. En dat wil de monopolist niet, dus het is beter om de schijn op te houden dat er helemaal geen sprake is van een monopolie of een kartel, en dus te doen alsof er wel degelijk sprake is van concurrentie. Het bedrijfsleven zal dan ook nooit toegeven dat het beleid dicteert aan de overheden. En overheden zullen nooit toegeven dat ze een kartel zijn aangegaan met het bedrijfsleven en wetgeving ombuigen in het voordeel van corporaties. Ze zijn stiekeme partners en zullen elkaar de hand boven het hoofd houden.

Het heeft in deze situatie dan ook geen enkele zin om de schuld aan één van beide partijen te geven, en die partij uit te schakelen. Als je binnen dit kartel de corporaties elimineert, dan komt alle monopolistische macht bij de overheid terecht (zoals bij communisme). Als je de overheid elimineert, komt alle monopolistische macht bij de corporaties terecht (zoals bij extreem kapitalisme). Het maakt voor de burgers niets uit. Ze zijn in alle gevallen volledig onderworpen aan die macht en dus volledig onvrij.

Zowel in de linkse als in de libertarisch/kapitalistische gedachte wordt ervan uitgegaan dat er maar twee machtsblokken bestaan, en dat het volk altijd is onderworpen aan de één of de ander, of een mengvorm daarvan. Maar dan wordt voorbijgegaan aan een derde machtsblok. Het blok dat zowel het onderwerp als de leverancier is van alle macht, en dat is het volk. Het is het volk dat, door haar vrijheid in te leveren, de enige voedingsbron is voor welke macht dan ook.

Maar waarom zou het volk als leverancier van alle macht, die macht altijd weg moeten geven? Pas wanneer die macht niet weggegeven wordt, is er sprake van vrijheid. Als het volk zich zodanig zou organiseren dat grote machtsblokken onmogelijk kunnen bestaan, dan hoeft het haar macht niet weg te geven, en dan zal het de vrijheid dus kunnen behouden.

Aangezien centralisering van macht precies hetzelfde is als toename van macht, is decentralisering de enige bescherming tegen grootschalig machtsmisbruik. Dat geldt zowel voor overheidsmacht als voor corporate macht, als voor een kartel van beide.

Dus een sterk gedecentraliseerd en slank bestuur, met daarop een zeer directe controle door de burgers die zeggenschap aan het bestuur verlenen. Het is dan aan die burgers zelf om in de gaten te houden of dat bestuur nog wel werkelijk de belangen van het volk beschermt. En zo niet, dat bestuur te vervangen.

Dat vraagt van die burgers dus het nemen van verantwoordelijkheid voor zichzelf. Dit in tegenstelling tot de huidige situatie waarbij burgers die verantwoordelijkheid vrijwel volledig bij het steeds verder centraliserende bestuur (of het bedrijfsleven) leggen, en klagen als dat bestuur (of die corporatie) die verantwoordelijkheid misbruikt.

Wanneer burgers werkelijk verantwoordelijkheid voor zichzelf nemen, dan hoeven ze hun vrijheid niet in te leveren. Niet aan een libertarische, door het bedrijfleven gedomineerde wereld, en niet aan een ‘linkse’, door een grote overheid gedomineerde wereld. En al helemaal niet aan het huidige allesoverheersende kartel van die twee.








dinsdag 2 november 2010

Privatisering


"Er komt geen tol op bestaande wegen." Dat heeft minister Schultz van Haegen (Infrastructuur) maandag laten weten.

Volgens de minister kan van tol op het gewone wegennet geen sprake zijn. "De automobilist betaalt voldoende belastingen, daarvoor moet hij vlot kunnen doorrijden over onze wegen. Tol kan alleen maar van toepassing zijn op bijzondere extra wegen." Daarbij doelt ze op alternatieve trajecten die met privaat geld worden aangelegd.

Dit bericht trof ik vandaag aan op de website van de Telegraaf. Te zien aan de reacties kon het op de goedkeuring rekenen van de meeste lezers. Ik vrees dat die lezers de laatste (door mij vet aangegeven) regels niet gelezen, of in ieder geval niet begrepen hebben.

Wat de minister hier tussen neus en lippen zegt, is dat er mogelijkheden komen voor private wegen. Wegen die eigendom zullen zijn van de financiers die de wegen betalen, aanleggen en beheren. Ze opent daarmee de mogelijkheid om een begin te maken met de privatisering van het wegennet, dat vervolgens stap voor stap richting volledige privatisering kan groeien. En waaraan op termijn natuurlijk ook de ‘bestaande wegen’ zullen moeten geloven. Altijd gerechtvaardigd door het argument van ‘onbetaalbaarheid’ van de huidige situatie. Net als bij alle voorgaande privatiseringen.

Het is een volgende stap in de wereldwijde tendens naar privatisering van primaire dienstverlening en infrastructuren. Een tendens die vaart op het steeds terugkerende argument van de ‘marktwerking’. Marktwerking die uiteindelijk concurrentievoordeel zou moeten opleveren voor de ‘consument’. Maar dat in de praktijk nooit doet. Sterker nog: het heeft de ‘consument’ volledig overgeleverd aan de financiers.

De golf van privatiseringen is niets meer of minder dan een wereldwijde machtsgreep van de internationale financiers. Van de geldelite die hiermee de macht in de wereld in een recordtempo en met medewerking van de ook door hen gefinancierde overheden naar zich toetrekt. Wat de minister hier dus doet, is het keurig uitvoeren van de bevelen die ze van haar broodheren krijgt.

De nieuwe eigenaren van alle noodzakelijke dienstverlening en infrastructuren, zijn dezelfden als de eigenaren van het gehele monetaire systeem. Uiteindelijk zal het tot niets anders leiden dan tot totale horigheid en slavernij van de bevolking.

Privatisering is niets meer dan het verkopen van publieke instellingen en systemen (die dus eigendom zijn van het volk) aan particulieren. Om die instellingen en systemen te kunnen kopen, moet er geld zijn. En daarvoor zijn financiers nodig. En die financiers zijn bankiers.

Het zijn de bankiers die al het bestaande geld in omloop brengen via de door hen gecontroleerde centrale banken. De bankiers die de financiële middelen ter beschikking hebben om al deze, voor ons onmisbare, zaken op te kopen. Bankiers die dat geld uit niets creëren, en het tegen rente in omloop brengen. Geld dat vervolgens door de bevolking moet worden verdiend door ervoor te werken.

Het is het kartel van financiers dat de macht krijgt over de beprijzing van alle noodzakelijke diensten en systemen, en daarmee de zeggenschap krijgt over de hoeveelheid arbeid die wij moeten leveren om toegang te krijgen of te houden tot die diensten en systemen.

We moeten werken om geld te verdienen. Een groot gedeelte van het verdiende geld moet direct worden afgestaan aan de door de bankiers gefinancierde overheden. Om de rente over de overheidsschuld te betalen aan die financiers. Vervolgens maken diezelfde financiers uit hoeveel ze van het overgebleven geld vorderen in ruil voor toegang tot onze levensbehoeften.

Zij bepalen de prijs voor de geprivatiseerde gezondheidszorg, voor de geprivatiseerde energievoorziening, voor de geprivatiseerde watervoorziening (reken er maar vast op), voor wonen (zij zijn het die onze woningen financieren, of we nou kopen of huren), voor geprivatiseerd openbaar vervoer, voor de geprivatiseerde communicatiekanalen, en straks dus ook voor de geprivatiseerde wegen.

Zij zijn het die bepalen hoeveel we ervoor moeten betalen, en dus hoeveel we ervoor moeten werken. En wie er wel of geen toegang toe krijgt. Uiteindelijk zal het leiden tot een situatie waarin alles wat we met werken verdienen, direct wordt teruggevorderd door degenen die heersen over alles wat we nodig hebben om te kunnen leven.

Het zal leiden tot een volledige horigheid aan de financiers, die ons daarmee in al ons doen en laten kunnen besturen, en alle opbrengsten van onze arbeid via het omweggetje dat geld heet (een omweggetje dat diezelfde financiers volledig controleren) beheersen en erop parasiteren.













donderdag 28 oktober 2010

Privacy

Recentelijk zond de VPRO een documentaire uit over privacy. Ik weet niet of het doelbewuste manipulatie is, of gewoon kortzichtigheid, maar de focus lag weer op het verkeerde probleem.

Het begrip privacy wordt steeds aangeduid als een ethische kwestie (en een enkel geval van persoonsverwisseling, maar dat wordt gezien als een systeemfout, of een ongelukje).

Die ethische kwestie speelt natuurlijk ook wel, maar dat is niet het belangrijkste probleem. Het werkelijke probleem is van praktische aard. En daarom is het woord ‘privacy’ ook verkeerd als het over deze problematiek gaat.

De ethische benadering levert twee stromingen op: ‘ik heb niks te verbergen’ of ‘privé is privé en daar heeft niemand iets mee te maken’. Beide een ethisch standpunt, en daar stopt het. Een kwestie van smaak dus. En eigenlijk zit de eerste van die stromingen er het dichtste bij. ‘Ik heb niks te verbergen’ zegt: ‘ik kan me vinden in de huidige regelgeving, en ik heb niet de behoefte die regels te overtreden’.

Maar het is geen ethisch probleem. Het is een praktisch probleem. Een beter woord zou zijn: Controle. Dat dekt de lading beter. Controle als in ‘in het oog houden’ en controle als in ‘onder controle houden’.

Er wordt wereldwijd met man en macht gewerkt aan een controlesysteem dat het mogelijk maakt om iedereen 24 uur per dag onder toezicht te houden. En als het klaar is, geeft dat overheden de mogelijkheid om regels in te voeren die zonder dat controlesysteem niet opgevolgd zouden worden, simpelweg omdat men weet dat ze voor de meeste mensen onacceptabel zullen zijn.

Omdat men weet dat mensen die regels vanuit zichzelf niet zullen opvolgen, zal er dus dwang en controle voor nodig zal zijn. En dan hebben de mensen die zich niet meer in die regelgeving kunnen vinden (en dan dus de behoefte krijgen om die regels wel te overtreden) ineens wel iets te verbergen. Maar dan is het te laat, want dat lukt dan niet meer.

Als een groep herten in een bos leeft dat ze overal in voorziet, is er geen enkele aanleiding voor die herten om dat bos te verlaten. Wanneer je het plan oppakt om die herten te gaan schieten, kun je verwachten dat ze na het eerste schot het bos uit zullen vluchten. Daarom zet je er eerst een hek omheen, voordat je gaat schieten.

De overgrote meerderheid houdt zich nu over het algemeen keurig aan de bestaande regels, en heeft dus niks te verbergen. Dus is NU het moment om een virtueel controlehek te plaatsen. Als dat er eenmaal staat hoef je geen rekening meer te houden met de bereidheden van het volk, en kun je doen wat je wilt. Je hebt dan controle, in elke zin van het woord.

En dan is het ineens geen ethisch probleem meer, maar een praktisch probleem.

Al die enorme inspanningen om een wereldwijde controle-infrastructuur te implementeren, zouden zinloos zijn als toch bijna iedereen zich aan de regels wil houden (zoals nu het geval is). Het feit dat dit desondanks gebeurt, en dat het nu gebeurt (nu bijna iedereen nog tevreden is met de regelgeving) zou de alarmbellen in werking moeten zetten. Het geeft ons namelijk de mogelijkheid om in de toekomst te kijken.

Door het te benoemen als ‘privacy’ en er een ethisch probleem van te maken, voorkom je dat mensen de werkelijke bedoelingen gaan doorzien, en zo kun je in betrekkelijke rust het hek voltooien.

vrijdag 15 oktober 2010

Doelloos



Vaak krijg ik de vraag: “Wat wil je nou eigenlijk bereiken?”

De mensheid is al sinds mensenheugenis gedreven door doelen. Doelen die moeten worden nagestreefd. Doelen die het eigen leven of de wereld ‘beter’ moeten maken. Het hebben en nastreven van die doelen wordt zelfs gezien als een grote deugd.

Zonder doelen komt er niets van de wereld terecht, is de algemeen gangbare opvatting.

Doelen liggen altijd in de toekomst. Ze zijn niets meer dan een idee van hoe die toekomst eruit zou moeten zien. En die doelen zijn altijd gebaseerd op de gedachte dat de toekomst beter moet (en zal) zijn dan het heden. Beter dan het NU. Een volbracht doel zal een verbetering betekenen. Dat is de gedachte achter het nastreven van het doel.

Al duizenden jaren zijn we gedreven door doelen. Door de hang naar beter. Door pogingen de toekomst beheersbaar te maken. Wanneer deze manier van leven echt zou werken, dan zou nu onderhand de perfectie bereikt moeten zijn. Iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

Doelen zijn verstandelijke constructies. Doelen worden geconstrueerd door gebruik te maken van ons vermogen tot redeneren. Ons redeneervermogen is een instrument van onze intelligentie. En onze beschikking over intelligentie is wat ons onderscheidt van andere levensvormen op deze aarde.

Intelligentie is, kort gezegd, het vermogen om problemen op lossen. Een intelligentietest bestaat uit een aantal voorgelegde problemen, en wie die problemen in de kortste tijd en met de minste fouten oplost, is het intelligentst.

Intelligentie is het vermogen problemen op te lossen, en is een typisch menselijke verworvenheid. In die zin zou de mens dus de soort moeten zijn met de minste problemen.

Ook hier geldt: iedereen met werkende zintuigen kan vaststellen dat dit niet bepaald het geval is.

De behoefte om doelen te formuleren komt voort uit ontevredenheid over het heden; in de toekomst moet het beter dan nu. We zijn zelfs in veel gevallen bereid om het heden op te offeren aan het doel: het doel heiligt de middelen. Het is de bereidheid om van het heden een hel te maken, in ruil voor een hemel in de toekomst.

Alleen komt die toekomst nooit. Tenminste: niet in de vorm van het gestelde doel. Want als die toekomst gearriveerd is, dan zijn er weer nieuwe doelen waaraan het nu van die toekomst geofferd moet worden. Zo gaat het al duizenden jaren. En zo blijft het altijd een hel.

Omdat redeneren altijd gebeurt vanuit ons eigen persoonlijke perspectief, construeert iedereen andere doelen. Soms overlappen die doelen elkaar, maar vaak ook niet, en zo ontstaat het idee van een verschil in belang. Een belang dat vervolgens moet opboksen tegen het belang van een ander. Anders wordt het persoonlijke doel nooit bereikt.

Hoe harder we moeten vechten om ons doel te bereiken, hoe meer we bereid zijn het heden op te offeren aan dat heilige doel. En hoe meer ontevreden we logischerwijs zullen zijn over dat heden. En dus hoe meer waarde we gaan hechten aan het doel (verbetering). En hoe harder we moeten vechten etc. De wereld is één groot slagveld geworden van elkaar bevechtende doelen.

Onze focus op onze doelen neemt ons zodanig in beslag, dat we onze beschikbare aandacht voor een groot gedeelte aan de toekomst besteden. Aandacht die daarmee niet beschikbaar is voor het NU.

Boeddha zei: het menselijk lijden wordt veroorzaakt door begeerte. Begeerte zou je kunnen uitleggen als: dingen willen. En dingen willen is alleen nodig als we ontevreden zijn met de dingen die we hebben. Lijden is daarmee de kloof tussen wat we willen en wat IS. Wanneer we tevreden zouden kunnen zijn met wat IS, dan zou het stellen van doelen overbodig zijn. En dan zou lijden dus niet bestaan.

Door onze aandacht te focussen op onze toekomstdoelen, hebben we geen aandacht over voor wat NU IS, en daarom kunnen we er niet tevreden over zijn. En die ontevredenheid rechtvaardigt dan weer het stellen van nieuwe doelen. Het nastreven van doelen levert een onacceptabel NU op, en een onacceptabel NU genereert nieuwe doelstellingen. Zo houdt het mechanisme zichzelf in stand.

Wanneer we wat IS (zowel kwalitatief als kwantitatief) minder zouden opofferen aan de toekomst, dan zou wat NU IS logischerwijs veel aangenamer zijn. En daarmee zou de noodzaak om dingen ‘beter’ te maken in dezelfde mate afnemen.

We hebben onze aandacht gevestigd op morgen, in de veronderstelling dat morgen daarmee beter zal zijn dan vandaag. Maar morgen doen we hetzelfde. Dan hebben we onze aandacht gevestigd op overmorgen. En zo kunnen we, zelfs als ons doel bereikt wordt, nooit van het resultaat van die aandacht genieten. Zo blijven we altijd lijden aan ontevredenheid en blijven we altijd nieuwe doelen construeren.

Doelen die inmiddels als belangrijkste doel hebben de problemen op te lossen die door het nastreven van al die verschillende doelen veroorzaakt zijn.

De wereld is inmiddels zo’n complexe heksenketel geworden van zich onderling bevechtende doelen, dat geen enkel doel meer echt haalbaar lijkt. Ieder doel loopt vast in de complexiteit van tegenstrijdige doelen.

Het mechanisme van de doelgedreven samenleving is daarmee eigenlijk failliet. Je zou het een ‘doelencrisis’ kunnen noemen. En zoals iedere crisis biedt deze crisis naast bedreigingen ook kansen. Het is aan ons om die kansen op te pakken of te laten liggen.

Het is inmiddels zover dat veel mensen de moed opgeven, en de handdoek in de ring gooien. En binnen de bestaande norm die het nastreven van doelen voorschrijft, rest er dan niets anders dan apathie. Binnen die norm.

Maar wie zegt dat die norm, de enig mogelijke norm is? Misschien biedt de crisis waarin de wereld zich bevindt wel een uitgelezen kans om dingen anders te gaan doen.

Wanneer doelen wegvallen (bijvoorbeeld omdat we de zinloosheid ervan inzien), worden we gedwongen om het te doen met wat NU IS. Er blijft niets anders over. Alle aandacht die werd opgeslokt door het nastreven van onze doelen, is nu beschikbaar voor het heden. Als we (al dan niet noodgedwongen) onze aandacht voor de toekomst opgeven, dan blijft er simpelweg niets anders over dan het NU.

Het zal even wennen zijn, maar we kunnen ons doen en laten dan helemaal laten afhangen van wat we OK vinden in het NU, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan wat we goed vinden voor de toekomst. We kunnen ons handelen dan laten afhangen van wat we met dit moment willen. Van wat nu OK is om te doen.

Er is dan geen enkele reden meer om wat dan ook te offeren aan de toekomst. Er is dan ook geen enkele aanleiding meer om slechte dingen te doen in naam van een betere toekomst.

We kunnen dan met alle aandacht zijn bij hetgeen nu echt bestaat. We kunnen ons helemaal richten op het NU en dat volledig en bewust ervaren. Zonder een deel van onze aandacht te verliezen aan de illusie van een betere toekomst (die toch nooit komt). Ook hoeven we onze daden (wat we nu doen) niet meer te laten bepalen door een toekomstig doel.

En als er geen doelen meer zijn, dan zullen er ook geen verschillende doelen meer bestaan. En dan zal er ook geen reden meer bestaan om elkaar te bevechten. En ook dat zal het NU een stuk aangenamer maken.

We zouden alle aandacht en energie die er dan overblijft kunnen besteden aan het doen wat op dit moment goed of gewoon prettig is. Zonder doelen is er namelijk geen andere mogelijkheid dan aan onze wil om dingen goed te doen (wat uiteindelijk ook de drijfveer is achter het hebben van een doel) nu gehoor te geven.

En omdat de toekomst een gevolg is van wat we nu doen, zal een prettig NU, resulteren in een prettige toekomst. En dat is precies omgekeerd aan wat we al eeuwen doen, en wat ook al eeuwen resulteert in nooit bereikte verbeteringen.

Het zal onduidelijk zijn hoe de toekomst er precies uit zal zien. We zullen niet weten wat de vorm ervan zal zijn. Maar die toekomst zal in ieder geval niet meer gecorrumpeerd zijn door het nastreven van doelen. En dan zal die toekomst er dus vanzelf goed uitzien. Zonder dat na te hoeven streven.

En als morgen goed zal zijn, zullen we (zodra morgen NU geworden is) er tevreden over kunnen zijn en hoeven we ons niet meer druk te maken over overmorgen. En dan zou er, ook in de toekomst, geen enkele reden zijn om ons opnieuw door doelen te laten (mis)leiden.

We kunnen ons dan zorgeloos laten leiden door goede intenties in plaats van goede doelen.

Hoe die toekomst er uit zal zien zullen we niet weten. Het zal steeds een verrassing zijn. Maar een prettige verrassing. Dat zal de wereld niet alleen een meer aangename plek maken, maar ook een meer verrassende plek.

Niet als doel, maar als resultaat.




vrijdag 24 september 2010

De wetten


Elke wet, in iedere tijd en in iedere cultuur, is gebaseerd op twee universele wetten:

Gij zult niet doden

En

Gij zult niet stelen

Deze wetten zijn universeel menselijke wetten, en dat zijn ze omdat ze uitgaan van het enige werkelijke dat iedereen kan bezitten: zijn leven. Ze gaan ervan uit dat iedereen de beschikking moet hebben over zijn eigen leven.

Daarnaast is er een andere belangrijke factor die deze wetten universeel maakt, en dat is de factor tijd.

Wij leven niet alleen, maar wij leven ook nog eens gedurende een beperkte tijd. En beide wetten hebben te maken met die tijd.

Dood gaan we allemaal. Het is dan ook niet zozeer het doden op zich dat verwerpelijk is. Het gaat om het afnemen van tijd van leven. Iemand doden is niets meer dan het afnemen van zijn resterende levenstijd. In die zin is het de ultieme diefstal.

Maar ook partiële diefstal (stelen) is niets meer dan het afnemen van levenstijd. Wanneer je honderd euro per dag verdient, en iemand anders steelt honderd euro van jou, dan steelt die persoon dus een dag van je leven. Een dag waarvan je zelf geen eigenaar meer bent, maar die nu onrechtmatig eigendom is geworden van de dief. De dief heeft je veroordeeld tot een dag dwangarbeid.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een boete. In essentie bestaat een boete als straf niet. Nogmaals het voorbeeld: als je honderd euro per dag verdient, en je krijgt een boete van honderd euro, dan ben je veroordeeld tot een dag dwangarbeid. Je leven is voor een dag eigendom van degene die je de boete opgelegd heeft.

De universele wetten gaan er dus van uit dat je tijd van leven je onvervreemdbaar eigendom is, en dat niemand anders dan jijzelf daarover mag beschikken.

In die zin zijn deze wetten eigenlijk de enige wetten die er nodig zijn. We zouden kunnen volstaan met een wetboek van minder dan een half A4tje. Wanneer iedereen zich aan deze wetten zou houden, dan zou er geen enkel onrecht in de wereld bestaan. Het zou simpelweg niet kunnen bestaan. Niemand zou de tijd van leven van een ander kunnen bekorten. Iedereen zou eigenaar zijn van zijn eigen tijd van leven. Niemand zou van de tijd van leven van een ander kunnen profiteren.

En dat laatste, de mogelijkheid om van de tijd van leven van een ander te kunnen profiteren, is de werkelijke reden van de dikte van alle bestaande wetboeken. Alle andere wetten dan de twee universele wetten, hebben tot doel om uitzonderingen te maken op die universele wetten. Ze hebben tot doel om dat profiteren van andermans leven juist wel mogelijk te maken. En om die mogelijkheid te gunnen aan de groep mensen waartoe degenen behoren die de wetboeken gemaakt hebben. Ten koste van alle andere mensen.

Profiteren (winst maken) van andermans leven kan alleen als die ander zijn eigendomsrecht over zijn eigen leven gedeeltelijk moet afstaan. Wanneer wetten dit gedeeltelijk toestaan, als er dus uitzonderingen gemaakt worden op de universele wetten, dan bestaan de universele wetten feitelijk niet meer. Ze zijn dan overruled. Om dan te voorkomen dat alles is toegestaan, moet vervolgens ieder detail worden vastgelegd in wetboeken. En daarom zijn de bestaande wetboeken zo dik.

Zodra er één enkele uitzondering gemaakt wordt, zoals bijvoorbeeld: de koning mag zich wel levenstijd van anderen toe-eigenen, dan moet vervolgens precies beschreven worden van wie, en hoeveel, en wie of wat is de koning, en wie niet, en wie heeft de autoriteit om voor de koning de heffingen op te halen, en welk geweld mag daar eventueel bij gebruikt worden, en in hoeverre is verzet toegestaan, enzovoort. Al dat soort zaken moet dan worden vastgelegd in wetboeken. Lees er maar eens een, en zie hoe dit alles tot in detail is vastgelegd.

Als we ervan uitgaan dat de universele wetten geldigheid hebben, dat we het recht hebben om eigenaar te zijn van ons eigen leven, dan zijn alle wetboeken dus strijdig met de geldige universele wetten, en daarmee ongeldig. Als wij, omgekeerd, de bestaande wetboeken wel als autoriteit accepteren, dan accepteren we dus ook de ongeldigheid van de universele wetten. En daarmee stemmen we in met de situatie waarbij we geen eigenaar meer zijn van onze eigen tijd van leven, maar dat die tijd van leven eigendom is van degene die de wetboeken geschreven heeft, en zich de macht heeft toegekend om de daarin beschreven regels te handhaven.

Ook als we volgens de wetboeken maar een klein gedeelte van onze tijd van leven zouden moeten afstaan, en we zouden tevreden zijn over die situatie, dan nog zijn we in geen enkel opzicht meer eigenaar van ons eigen leven. Wij kunnen zelf immers niet bepalen wat er in de wetboeken staat, en daarmee zijn we geheel overgeleverd aan de willekeur van de wetgever. Net zoals een hond (als huisdier) best een prima leven kan hebben, maar altijd eigendom blijft van zijn baas, en altijd is overgeleverd aan hetgeen die baas hem toewerpt, en of hij hem iets toewerpt.

De bestaande wetboeken beschrijven daarmee geen enkel recht, maar uitsluitend privileges: de botten die we toegeworpen krijgen. En die privileges worden bepaald door de wetgever, dus daarover hebben we niets te zeggen. Afstand doen van de universele wetten houdt daarmee in: afstand doen van ieder recht.

De mate waarin een wetgever kan afwijken van de universele wetten (en dus de dikte van de wetboeken) is afhankelijk van de mate van acceptatie bij degenen die bestolen worden. En van de hoeveelheid geweld die de wetgever kan inzetten om de naleving van zijn wetten af te dwingen. Hoe zichtbaarder het geweld, hoe kleiner de onbewuste acceptatiebereidheid, en hoe groter de angstbereidheid. Angst voor geweld (bestolen of gedood worden), en dus voor het nog verder afwijken van de universele wetten. Angst om nog meer eigendomsrecht over het eigen leven te verliezen. Eigendomsrecht dat we dus al niet meer hebben.

Dat maakt mensen dus bereid om het eigendomsrecht over hun eigen leven af te staan, in ruil voor de illusie dat recht juist te behouden. Zonder dit zonderlinge mechanisme zou iedere vorm van wetgeving (uitgezonderd de universele wetten) onmogelijk zijn. Je kunt namelijk niet iets beschermen dat al gestolen is: het eigenaarschap van je eigen leven. Je kunt hooguit vertrouwen op de goedhartigheid van de dief, in de hoop dat hij je een paar privileges zal toewerpen.

De wetboeken die onze rechten afnemen, hebben uitsluitend bestaansrecht omdat we ons aan de daarin beschreven wetten houden. Ze bestaan omdat we ze accepteren, en dat zorgt ervoor dat we geen rechten hebben. Door ons eraan te houden, ruilen we ons leven tegen privileges. Privileges die we nastreven en waarvan we ten onrechte geloven dat het rechten zijn. Door ons eraan te houden, door waarde te hechten aan privileges, geven we ons echte recht weg. En het resultaat is dan ook een wereld vol onrecht. Onrecht dat zonder wetboeken, maar met de universele wetten simpelweg niet zou kunnen bestaan.

Gij zult niet stelen, en gij zult niet doden betekent ook: gij zult niet bestolen worden en gij zult niet gedood worden. Het is het enige recht dat iedereen door geboorte heeft: het recht op het eigen leven. En dat is geen privilege maar een recht. Deze wet maakt zowel het verlenen als het nastreven van privileges overbodig. Het is de wet die alle andere wetten overbodig maakt.